De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van 30 oktober 2025 waarbij de minister van Asiel en Migratie een maatregel van bewaring oplegde op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de bewaring onterecht was omdat hij zelfstandig naar Zwitserland kon vertrekken en dat een lichter middel toegepast had moeten worden.
De rechtbank stelde vast dat eiser de gronden voor bewaring niet had bestreden. Er was sprake van zware gronden zoals illegale binnenkomst, poging tot illegale uitreis, en onvoldoende medewerking bij identiteitsvaststelling, en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. Deze gronden vormden een voldoende basis voor het significant risico op onttrekking aan toezicht.
Het beroep op zelfstandig vertrek faalde omdat eiser niet beschikte over een geldig grensdocument of een concreet vertrekbewijs zoals een reisticket naar Zwitserland. Ook het beroep op toepassing van een lichter middel werd verworpen omdat de minister voldoende had gemotiveerd dat geen minder dwingende maatregel doeltreffend was. Medische klachten van eiser werden niet onderbouwd met stukken en de zorg in detentie werd als adequaat beoordeeld.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.