ECLI:NL:RBDHA:2025:21727
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugkeerbesluit tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne
Eiseres, een Marokkaanse derdelander met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, kreeg op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit opgelegd door de minister van Asiel en Migratie, met de verplichting Nederland binnen vier weken te verlaten. Dit besluit was gebaseerd op het beëindigen van haar verblijfrecht onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming per 5 maart 2024.
Eiseres betoogde dat de minister onvoldoende had toegelicht waarom de tijdelijke bescherming vanaf 4 maart 2024 zou eindigen en dat het terugkeerbesluit ten onrechte en zonder haar te horen was opgelegd, in strijd met het doeltreffends- en gelijkheidsbeginsel. De rechtbank nam daarbij de recente uitspraken van de hoogste bestuursrechter en het Hof van Justitie van de Europese Unie in aanmerking.
De hoogste bestuursrechter had geoordeeld dat de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Tevens is vastgesteld dat terugkeerbesluiten niet mogen worden opgelegd zolang een vreemdeling rechtmatig verblijf geniet op grond van tijdelijke bescherming.
Omdat het terugkeerbesluit aan eiseres vóór 4 maart 2024 werd opgelegd, oordeelde de rechtbank dat het besluit prematuur en daarmee onrechtmatig was. Het beroep werd daarom kennelijk gegrond verklaard en het terugkeerbesluit vernietigd. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €907,-.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit van februari 2024 wordt vernietigd en eiseres krijgt gelijk.