ECLI:NL:RBDHA:2025:21727

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
NL24.9709
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een terugkeerbesluit voor een derdelander met tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van eiseres, een Marokkaanse vrouw die op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne verbleef, tegen een door de minister van Asiel en Migratie opgelegd terugkeerbesluit. Dit besluit, dat op 21 februari 2024 werd genomen, verplichtte eiseres om Nederland binnen vier weken te verlaten. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en doet uitspraak zonder zitting, zoals toegestaan onder artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank legt uit dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd, aangezien eiseres rechtmatig verblijf had op basis van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, die op 4 maart 2024 eindigde. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de hoogste bestuursrechter, die bevestigen dat een terugkeerbesluit niet kan worden opgelegd zolang er rechtmatig verblijf is. De rechtbank vernietigt het terugkeerbesluit en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 907,-. De uitspraak is openbaar gemaakt op 3 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9709

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het aan haar opgelegde terugkeerbesluit.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 21 februari 2024 aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat zij binnen vier weken na 4 maart 2024 Nederland dient te verlaten.
1.2.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk gegrond is.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Op 19 oktober 2022 heeft eiseres verblijfsrecht voor bepaalde tijd aangevraagd in Nederland.
2.1.
Op 21 februari 2024 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfrecht onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [1] (de Richtlijn) met ingang van 5 maart 2024 van rechtswege eindigt. De Nederlandse staat heeft namelijk besloten dat geen facultatieve bescherming meer wordt verleend aan derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne. Met hetzelfde besluit heeft verweerder een terugkeerbesluit opgelegd.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende heeft uitgelegd waarom de tijdelijke bescherming vanaf 4 maart 2024 eindigt. Verweerder heeft de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiseres namelijk gebaseerd op de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 17 januari 2024, [2] waarin het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie [3] op verkeerde wijze is uitgelegd. Daarnaast heeft verweerder eiseres ten onrechte niet gehoord voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit wat in strijd is met het doeltreffends- en gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft daarom ten onrechte een terugkeerbesluit opgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraken van 23 april 2025, [4] geoordeeld de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Dit betekent dat zij vanaf 4 maart 2024 geen recht hebben op verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn. De hoogste bestuursrechter is tot deze uitspraken gekomen onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024 en naar het arrest Kaduna en Abkez [5] van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
4.1.
Uit de uitspraken van de hoogste bestuursrechter en het arrest Kaduna en Abkez volgt ook dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De hoogste bestuursrechter heeft daarom geoordeeld dat de minister deze derdelanders vóór 4 maart 2024 niet mocht opdragen om de Europese Unie te verlaten door middel van het opleggen van een terugkeerbesluit.
4.2.
In de situatie van eiseres heeft verweerder vóór 4 maart 2024 een terugkeerbesluit opgelegd. Gelet op het oordeel van de Afdeling in de hiervoor aangehaalde uitspraken is het beroep reeds om die reden gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
4.3.
Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk gegrond. De gronden over de hoorplicht behoeven daarom geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en het terugkeerbesluit wordt vernietigd.
5.1.
Verweerder moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 907,-. [6]
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het aan eiseres opgelegde terugkeerbesluit van 7 februari 2024;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van I.D. van der Meché, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
3.Van 19 oktober 2023.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
5.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.
6.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 1.