Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
[kind 1]en
[kind 2]
Rechtbank Den Haag
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis en gezinshereniging. De minister van Asiel en Migratie heeft niet tijdig beslist, ondanks een geldige ingebrekestelling.
De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht toegewezen. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld aan een besluit. De beslistermijn was uiterlijk 25 oktober 2024, maar is zonder besluit verstreken.
De rechtbank stelt een termijn van acht weken na verzending van deze uitspraak vast waarbinnen de minister moet besluiten, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd. De reeds verbeurde dwangsommen van €1.442 worden toegewezen. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van €453,50.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 18 november 2025 door rechter A.C.J. van Dooijeweert.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de minister wordt opgedragen binnen acht weken te beslissen en een dwangsom wordt opgelegd.