ECLI:NL:RBDHA:2025:21945

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
NL25.42990
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwArt. 75 VwArt. 7:1 AwbBijlage 1 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen weigering opheffing vrijheidsbeperkende maatregel

De zaak betreft een beroep van eiser tegen de weigering van de minister van Asiel en Migratie om een vrijheidsbeperkende maatregel, opgelegd op grond van artikel 56, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000, op te heffen. De maatregel verplicht eiser sinds 3 april 2025 te verblijven in de gemeente Westerwolde. Eiser stelde op 5 september 2025 beroep in tegen de weigering van opheffing van de maatregel.

Tijdens de zitting op 24 oktober 2025 werd vastgesteld dat het beroep niet gericht was tegen het opleggen van de maatregel, maar tegen de weigering tot opheffing daarvan. Eiser voerde aan dat rechtstreeks beroep mogelijk is tegen de weigering, verwijzend naar een oudere uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage uit 2012 en het belang van een snelle rechtsgang vanwege het vrijheidsbenemende karakter van de maatregel.

De rechtbank oordeelde echter dat de Vreemdelingenwet 2000 geen procedure kent voor rechtstreeks beroep tegen de voortzetting van een vrijheidsbeperkende maatregel. Artikel 75 Vw Pro, dat dit mogelijk maakte, is vervallen. Ook valt de weigering van opheffing niet onder de categorie besluiten waarvoor de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rechtstreeks beroep toestaat. Daarom moet eerst bezwaar worden gemaakt tegen het besluit van de minister. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het beroep en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep omdat eerst bezwaar moet worden gemaakt tegen de weigering van opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42990

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Beninse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:] ,
(gemachtigde: mr. K.S. Kort),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. Bij besluit van 2 april 2025 heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid van de Vw [1] . Het besluit verplicht eiser met ingang van 3 april 2025 te verblijven in de gemeente Westerwolde.
1.1.
Eiser heeft op 5 september 2025 beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Tijdens de zitting heeft de rechtbank het onderzoek kort geschorst om de door eiser naar voren gebrachte jurisprudentie te bestuderen. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep hervat en is de behandeling van het beroep voortgezet. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het onderhavige beroep?
2. De rechtbank stelt vast dat – zoals door de gemachtigde van eiser op de zitting is bevestigd – het beroep zo moet worden opgevat dat het is gericht tegen de weigering van de minister van 30 september 2025 tot opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel zoals door eiser op 24 september 2025 is verzocht. Het gaat dus niet om een beroep, gericht tegen het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel.
3. Eiser betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen van 20 maart 2012, dat uit het wettelijk systeem volgt dat tegen een besluit op een verzoek om opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel rechtstreeks beroep bij de rechtbank openstaat. [2] Eiser wijst er in dit verband op dat de weigering om de maatregel op te heffen kwalificeert als een besluit dat valt onder de categorie besluiten genoemd in bijlage 1 [3] bij de Awb [4] , zodat voorafgaand bezwaar niet is vereist. Daarnaast voert eiser aan dat, gelet op het vrijheidsbenemende karakter van de maatregel, een snelle en directe rechtsgang tegen de voortduring daarvan moet zijn gewaarborgd. Het zou zich, volgens eiser, niet verdragen met de systematiek van de wet en met het belang van een effectieve rechtsbescherming wanneer eerst een bezwaarprocedure zou moeten worden doorlopen.
4. De rechtbank overweegt dat in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) geen afzonderlijke procedure is opgenomen voor het instellen van beroep tegen het voortduren van een vrijheidsbeperkende maatregel. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage kan in dat kader niet slagen. Naast het feit dat dit een oudere uitspraak betreft, ging het in die zaak om het indienen van beroep tegen het voortduren van de maatregel, waarbij de minister zich destijds op het standpunt stelde dat eerst een verzoek om opheffing van de maatregel moest worden ingediend, waarna tegen dat besluit een rechtsmiddel kon worden aangewend. De rechtbank in ’s-Gravenhage heeft ten aanzien daarvan overwogen dat tegen een besluit op een verzoek om opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel, gezien artikel 75, aanhef en onder a, Vw, rechtstreeks beroep bij de rechtbank openstaat. Artikel 75 Vw Pro is echter vervallen. Evenmin valt, anders dan eiser stelt, de weigering van een verzoek tot opheffing van een artikel 56-maatregel onder de categorie besluiten die in bijlage 1 bij de Awb zijn genoemd. Rechtstreeks beroep tegen de weigering van opheffing is daarom niet mogelijk. Eiser zal dus eerst bezwaar moeten maken tegen het besluit van de minister tot weigering van opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij onbevoegd is om van het onderhavige beroep kennis te nemen. De rechtbank komt daarom ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de door eiser aangevoerde beroepsgronden.
5. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Rb.’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, 20 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9384.
3.Bijlage 1 Regeling rechtstreeks beroep (artikel 7:1, eerste lid, onderdeel g)
4.Algemene wet bestuursrecht.