ECLI:NL:RBDHA:2025:21945
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen weigering opheffing vrijheidsbeperkende maatregel
De zaak betreft een beroep van eiser tegen de weigering van de minister van Asiel en Migratie om een vrijheidsbeperkende maatregel, opgelegd op grond van artikel 56, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000, op te heffen. De maatregel verplicht eiser sinds 3 april 2025 te verblijven in de gemeente Westerwolde. Eiser stelde op 5 september 2025 beroep in tegen de weigering van opheffing van de maatregel.
Tijdens de zitting op 24 oktober 2025 werd vastgesteld dat het beroep niet gericht was tegen het opleggen van de maatregel, maar tegen de weigering tot opheffing daarvan. Eiser voerde aan dat rechtstreeks beroep mogelijk is tegen de weigering, verwijzend naar een oudere uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage uit 2012 en het belang van een snelle rechtsgang vanwege het vrijheidsbenemende karakter van de maatregel.
De rechtbank oordeelde echter dat de Vreemdelingenwet 2000 geen procedure kent voor rechtstreeks beroep tegen de voortzetting van een vrijheidsbeperkende maatregel. Artikel 75 Vw Pro, dat dit mogelijk maakte, is vervallen. Ook valt de weigering van opheffing niet onder de categorie besluiten waarvoor de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rechtstreeks beroep toestaat. Daarom moet eerst bezwaar worden gemaakt tegen het besluit van de minister. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het beroep en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep omdat eerst bezwaar moet worden gemaakt tegen de weigering van opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel.