De rechtbank Den Haag behandelde een bestuursrechtelijke zaak waarbij de minister van Asiel en Migratie de asielaanvragen van vier eisers uit Noord-Macedonië had afgewezen als kennelijk ongegrond. Drie eisers vertrokken vrijwillig naar Noord-Macedonië, waardoor hun beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank richtte zich vervolgens op het beroep van eiser 2, die stelde te worden gediscrimineerd vanwege zijn Roma etniciteit en onvoldoende bescherming te kunnen krijgen in zijn land van herkomst. De minister had Noord-Macedonië als veilig land van herkomst aangemerkt en het beroep afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat de minister niet tijdig een herbeoordeling had uitgevoerd van Noord-Macedonië als veilig land van herkomst, zoals vereist is. Hierdoor was het beoordelingskader onjuist en was het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank gaf de minister de gelegenheid het gebrek te herstellen door een nieuwe beoordeling uit te voeren, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van eiser 2.
De rechtbank hield verdere beslissingen aan en bepaalde dat de minister binnen twee weken moet melden of hij gebruik maakt van deze herstelmogelijkheid, waarna eiser 2 kan reageren. De uitspraak betreft een tussenuitspraak en staat nog geen hoger beroep open.