ECLI:NL:RBDHA:2025:22080

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
NL25.32058 en NL25.32059
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 8:72 AwbArt. 31 lid 6 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onzorgvuldige beoordeling politieke overtuiging en afvalligheid

Eiser, van Iraanse nationaliteit, diende op 5 december 2023 een asielaanvraag in die op 23 juni 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank oordeelt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door bij de beoordeling van de zwaarwegendheid van de politieke overtuiging van eiser slechts te kijken naar het verleden en niet naar de mate waarin eiser zijn overtuiging bij terugkeer zal uiten. Ook is de motivering dat eiser geen reëel risico loopt vanwege zijn afvalligheid ondeugdelijk, omdat verweerder onterecht verwacht dat eiser zich terughoudend zal opstellen bij terugkeer.

De rechtbank stelt vast dat eiser's identiteit eerder in rechte is vastgesteld en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit niet zou gelden. De tegenstrijdigheden in het asielrelaas met eerdere verklaringen zijn deels aannemelijk en leiden niet tot ongeloofwaardigheid van alle motieven. De deelname aan demonstraties is echter onvoldoende onderbouwd en wordt als ongeloofwaardig beoordeeld.

De rechtbank benadrukt dat verweerder een verkeerde maatstaf hanteerde door te verwachten dat eiser zich bij terugkeer zal conformeren aan sociale en culturele normen om vervolging te voorkomen, wat in strijd is met het recht op godsdienstvrijheid. Verweerder moet in een nieuw besluit rekening houden met de mate waarin eiser zijn politieke overtuiging en afvalligheid zal uiten bij terugkeer. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder krijgt zes weken om een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.32058 (beroep) en NL25.32059 (voorlopige voorziening)
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna eiser)

(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 5 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1977. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 juni 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft verzocht om een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
2.2.
De rechtbank heeft op 31 oktober 2025 verweerder verzocht om een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft op 3 november 2025 de rechtbank laten weten niet bij de zitting aanwezig te zijn vanwege capaciteitsgebrek.
2.3.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) heeft het beroep samen met het verzoek op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen.
2.4.
Verweerder heeft op 12 november 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank zal dit verweerschrift niet betrekken in haar oordeel, omdat het te laat is ingediend. Zoals onder 2.3 is overwogen is de zitting op 11 november 2025 geweest, waarbij het onderzoek is gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser gelooft sinds zijn jeugd niet in de islam. Toen hij voor het Ministerie [departement] werkte, is hij benaderd door de inlichtingendienst. Hij was betrokken bij een actie van de inlichtingendienst tegen de Turkse autoriteiten en de inlichtingendienst heeft hem ook gedwongen om zijn ex-vriendin te prostitueren. Daarnaast heeft eiser ook meegedaan aan demonstraties in België tegen de Iraanse regering.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen met de inlichtingendienst;
3. deelname aan demonstraties.
Verweerder acht het eerste asielmotief deels geloofwaardig, maar het tweede asielmotief en derde asielmotief acht verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn asielaanvraag niet met objectieve documenten gestaafd, heeft hij geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven en daarnaast vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zijn politieke overtuiging en afvalligheid vormen geen gronden voor vluchtelingschap. Voorts heeft eiser zijn identiteits- of reisdocument vernietigd of weggemaakt, heeft hij verklaringen afgelegd die worden beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig, betreft dit een opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard, heeft eiser niet onmiddellijk asiel aangevraagd toen dat mogelijk was en vormt hij op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen en er een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een zwaar inreisverbod van 10 jaar kan worden opgelegd.
Bespreking beroepsgronden
Geloofwaardigheidsbeoordeling
5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder een striktere toepassing heeft gegeven aan artikel 31, zesde lid, Vw, wanneer de verklaringen niet of niet voldoende zijn gestaafd met documenten. Het huidige toetsingskader is in strijd met het Unierecht. Subsidiair moet de zaak worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025. [2]
5.1
De rechtbank overweegt dat verweerder de asielaanvraag niet enkel heeft afgewezen op het ontbreken van objectieve documenten. Aan eiser is daarnaast ook tegengeworpen dat zijn verklaringen geen aannemelijk en samenhangend geheel vormen. Dit is een andere situatie dan in de zaak waarin de prejudiciële vragen zijn gesteld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vragen.
Identiteit eiser
6. Eiser voert verder aan dat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk is geacht in eerdere procedures en het in rechte is komen vast te staan. Er is geen reden om hier op terug te komen. Een nieuw identiteitsbewijs kan hij, gezien de problemen met de Iraanse autoriteiten niet verkrijgen.
6.1
De rechtbank overweegt dat niet door verweerder is betwist dat eisers identiteit eerder in rechte is komen vast te staan. De in het besluit gegeven motivering om de identiteit desondanks niet geloofwaardig te achten, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De rechtbank merkt hierbij verder op dat onduidelijk is hoe de tegenwerpingen onder 1.1, 1.4 en 1.5 in het voornemen zonder nadere motivering, die ontbreekt, kunnen afdoen aan de geloofwaardigheid van eisers identiteit. Nu verweerder niet heeft gereageerd op de stelling, dat de identiteit eerder in rechte vast is komen te staan, ziet de rechtbank niet in hoe de tegenwerpingen onder 1.2 en 1.3 in het voornemen aan die stelling afdoen. De beroepsgrond slaagt.
Problemen vanwege werk voor de inlichtingendienst
7. Eiser heeft aangevoerd dat de verklaringen in de onderhavige asielprocedure op hun eigen mérites beoordeeld moeten worden. Het enkele feit dat het een en ander op bepaalde punten afwijkt met verklaringen van 20 of 25 jaar geleden, maakt niet dat het relaas reeds daarom ongeloofwaardig kan worden bevonden. Wat betreft de prostitutiepraktijken heeft eiser in zijn procedure in 2000 alsmede in de onderhavige procedure, hierover gedetailleerd en consistent verklaard. Er is derhalve onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom eiser hierdoor geen gevaar loopt bij terugkeer naar Iran. Ook de overige gestelde tegenstrijdigheden zijn niet dusdanig gewichtig dat dit relevante asielmotief om die reden ongeloofwaardig kan worden geacht.
7.1
De rechtbank overweegt dat verweerder niet enkel de tegenstrijdigheid in zijn asielrelaas met zijn eerste aanvraag in 2000 heeft tegengeworpen. Op pagina 7 van het voornemen is ook tegengeworpen dat eiser in zijn huidige asielrelaas tegenstrijdig heeft verklaard over het werk dat hij voor de inlichtingendienst deed en dat hij wisselend heeft verklaard over het aantal contactmomenten dat hij met de inlichtingendienst had. Ook is tegengeworpen dat eiser in zijn Belgische asielprocedure een ander verhaal heeft verteld dan in deze asielaanvraag. Eiser is niet inhoudelijk op deze tegenwerpingen ingegaan, waardoor deze standhouden. Daarnaast merkt de rechtbank op dat zelfs al zou de aanwezigheid van zijn broer in 2000 in Nederland het verschil in het huidige asielrelaas rechtvaardigen, dan nog zijn de verschillen in het asielrelaas dusdanig groot zijn dat verweerder dit asielmotief ongeloofwaardig heeft kunnen achten. De beroepsgrond slaagt niet.
Politieke overtuiging
8. Verder voert eiser aan dat hij weliswaar niet recentelijk heeft deelgenomen aan demonstraties, maar wel in het verleden. Gezien de monitoring van de Iraanse autoriteiten, ook in het buitenland, is het niet onaannemelijk dat de Iraanse autoriteiten hiervan op de hoogte zijn en dit tot problemen zal leiden bij terugkeer. Bovendien heeft eiser een sterke politieke overtuiging/mening. Het lukt hem niet om deze overtuigingen voor zich te houden, zeker wanneer hij geconfronteerd wordt met de Iraanse autoriteiten, zoals bij terugkeer het geval zal zijn. Op de zitting heeft de gemachtigde aangevuld dat dit laatste punt zit op hoe eiser zich bij terugkeer zijn politieke overtuiging zal uiten en dat verweerder in het gehoor hierover niet heeft doorgevraagd.
8.1
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser geen bewijs heeft overgelegd van zijn deelname aan demonstraties. Daarbij heeft hij ook niets tegenover de tegenwerping van verweerder geplaatst dat hij summier en vaag heeft verklaard over zijn deelname aan demonstraties, waardoor deze tegenwerping standhoudt. Verweerder heeft daarom de deelname aan demonstraties ongeloofwaardig kunnen achten.
8.2
De rechtbank overweegt voorts dat verweerder in het besluit, anders dan in het voornemen, de zwaarwegendheid van eisers politieke overtuiging heeft beoordeeld. Het Hof [3] heeft in het arrest S en A [4] geoordeeld dat ‘politieke overtuiging’ breed moet worden opgevat en dat verweerder niet mag eisen dat sprake is van een ‘fundamentele’ politieke overtuiging. De rechtbank overweegt daarnaast dat de Afdeling [5] in haar uitspraak van 17 januari 2024 [6] heeft geoordeeld dat verweerder bij beoordeling van de zwaarwegendheid de sterkte van de politieke overtuiging en de mate waarin deze overtuiging door de vreemdeling wordt geuit of eventueel zal worden geuit moet betrekken.
8.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door het toetsingskader in bovengenoemde jurisprudentie niet in acht te nemen. Verweerder heeft namelijk aangenomen dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar vervolgens bij de zwaarwegendheidstoets niet betrokken in welke mate eiser zijn politieke overtuiging bij terugkeer zal uiten. Verweerder heeft alleen gekeken naar hoe eiser zijn politieke overtuiging in het verleden heeft geuit en geconcludeerd dat hij daar geen problemen door heeft ondervonden. Daarbij is in het nader gehoor ook niet doorgevraagd hoe eiser zijn politieke overtuiging wil gaan uiten bij terugkeer. Verweerder heeft in het oordeel ook betrokken de omstandigheid dat eiser op dit moment in Nederland niet deelneemt aan demonstraties, maar dit is anders dan de vraag wat hij met zijn politieke overtuiging in Iran gaat doen. De beroepsgrond slaagt.
Afvalligheid
9. Eiser voert aan dat niet ter discussie staat dat hij afvallig is. Dat hij zijn mening over de islam niet onder stoelen of banken steekt (of kan steken) blijkt reeds uit het nader gehoor. Hij verblijft inmiddels ook al zo’n 25 jaar in Europa. Allereerst is niet deugdelijk gemotiveerd dat zijn afvalligheid niet van belang zou zijn voor de religieuze identiteit van eiser. Aangezien verweerder de afvalligheid van eiser geloofwaardig heeft geacht, heeft verweerder gelet op de rechtspraak ten onrechte van eiser verwacht dat hij bij terugkeer naar Iran in feite doet alsof hij moslim is om aan de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten te ontkomen. Eiser verwijst hiertoe naar het arrest Y en Z van 5 september 2012 [7] van het Hof en de Afdelingsuitspraken van 19 januari 2022 [8] en 24 december 2024 [9] . Daar komt nog bij dat het evident in strijd met het recht op godsdienstvrijheid is om op een officieel formulier te moeten verklaren dat je moslim bent, terwijl je dit overtuigd niet bent. Eiser verwijst hiertoe naar het voornoemde arrest S en A.
9.1
De rechtbank overweegt eerst dat niet in geschil is dat eiser afvallig is. Verweerder vindt kennelijk dat eiser zich terughoudend kan opstellen, omdat zijn afvalligheid niet heel belangrijk voor hem is en dat van hem mag worden verwacht dat hij zich onthoudt van uitingen die zijn afvalligheid prijsgeven. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder hiermee ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt bij terugkeer vanwege zijn afvalligheid.
9.2
Verweerder heeft op pagina 10 van het voornemen hierover het volgende gesteld:
“De IND neemt aan dat, gezien u eerder terughoudend in uw uitingen bent geweest in Iran, u in het geval van eventuele ondervraging op de luchthaven door de autoriteiten niet zal verklaren dat u afvallig bent. Er is daarbij ook niet gebleken dat dit van belang zal zijn voor het behoud van uw religieuze identiteit. Verder hebt u ook niet aannemelijk gemaakt dat u uw afvalligheid actief zou willen uiten en dat dit uitdragen op zo’n wijze zou plaatsvinden dat u hierdoor in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten zou komen te staan. U hebt immers verklaard dat u zich altijd hebt gehouden aan de geschreven en ongeschreven culturele en religieuze normen en waarden in Iran. U hebt namelijk verklaard dat u naar buiten toe altijd uitdroeg dat u in de Islam geloofde. Uit uw verklaringen blijkt dat het uiten van uw afvalligheid niet van belang is bij het behouden van uw religieuze identiteit.
Daarom wordt niet aangenomen dat u activiteiten zal verrichten die verband houden met afwending van de islam die tot negatieve aandacht van de autoriteiten en daarmee tot vervolging zouden kunnen leiden. Wat betreft de uiting van uw afvalligheid bij terugkeer mag van u verwacht worden dat u zich houdt aan de sociale en culturele (ongeschreven) normen en waarden in Iran.”
In het besluit staat op pagina 6 het volgende:
“Uit uw verklaringen blijkt duidelijk dat u zich in het verleden altijd hebt gehouden aan de geschreven en ongeschreven culturele en religieuze normen en waarden in Iran. Ook blijkt uit uw verklaringen niet dat het uiten van uw afvalligheid een fundamenteel belang is voor het behouden van uw religieuze identiteit en wordt aangenomen dat u zich in de toekomst op dezelfde wijze zou kunnen uiten. U geeft immers aan dat u twee gezichten hebt en naar
buiten altijd hebt uitgedragen dat u moslim bent. Ook hebt u verklaard dat u natuurlijk zou willen doen alsof zodat u niet in de problemen zou komen.”
En op pagina 8 van het besluit staat:
“Hierover wordt overwogen dat in het voornemen niet staat dat u zich terughoudend moet opstellen. In het voornemen staat dat het uiten van uw afvalligheid niet van belang is bij het behouden van uw religieuze identiteit en dat van u verwacht mag worden dat u zich houdt aan de sociale en culturele (on)geschreven normen en waarden in Iran.
(…)
U hebt niet aannemelijk gemaakt dat het uitoefenen van uw afvalligheid belangrijk is voor het behoud van uw religieuze identiteit, en het niet kunnen uitoefenen van deze overtuiging een inbreuk zou zijn op uw religieuze identiteit. Hierbij wordt verwezen naar uw verklaringen waaruit blijkt dat u nooit openlijk uitte dat u de islam niet meer aanhing. Niet wordt gevolgd waarom u zich bij terugkeer anders zou gaan gedragen. In dit kader kan
worden verwacht dat u zich ook bij terugkeer conformeert en u geen reëel risico loopt op vervolging.”
9.3
De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar voornoemde uitspraak van 19 januari 2022 heeft geoordeeld dat verweerder bij een geloofwaardig geachte afvalligheid moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid. Verweerder mag van een vreemdeling niet verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofwaardig geachte afvalligheid in het land van herkomst.
9.4
De rechtbank overweegt verder onder verwijzing naar voornoemde uitspraak allereerst dat verweerder, gelet op de aangehaalde citaten, een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd door te oordelen dat van eiser
‘verwacht mag worden dat u zich houdt aan de sociale en culturele (on)geschreven normen en waarden in Iran‘ en
‘dat u zich ook bij terugkeer conformeert en u geen reëel risico loopt op vervolging.’Het mag immers niet van eiser worden verwacht dat hij zich bij terugkeer terughoudend zal opstellen over zijn geloofwaardig geachte afvalligheid.
9.5
Voor zover verweerder met de aangehaalde citaten heeft trachten te betogen dat is gebleken dat eiser uit vrije wil van plan is zich te conformeren aan de geldende normen en waarden, is de rechtbank van oordeel dat dit onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank stelt daartoe vast dat verweerder hierbij met name heeft betrokken hoe eiser zich in het verleden in Iran heeft gedragen met betrekking tot zijn afvalligheid. Dat is meer dan 20 jaar geleden.
De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder veel waarde heeft gehecht aan eisers antwoord op pagina 25 van het nader gehoor, op de vraag of hij zich nu hetzelfde zou gedragen als toen met betrekking tot het uiten van zijn afvalligheid. Eiser heeft hierop geantwoord:
“Ik krijg de kans niet eens, omdat ik daar direct word aangehouden. Ik zou natuurlijk willen doen alsof, maar krijg de kans niet.”.
Eiser heeft in het nader gehoor echter veel meer verklaard. Zo heeft hij over zijn visie op de islam en hoe hij zich op dat vlak in Iran zal opstellen op pagina’s 26 en 27 onder meer het volgende verklaard:
“Ik ben niet meer de oude persoon van toen. Ik zou ook niet als toen reageren. Ik heb veel ervaringen meegemaakt in al die jaren. Ik heb ook het leven in Europa gehad. Ik kan niet meer reageren als vroeger. Mijn angst is verdwenen. Niet helemaal, ik heb natuurlijk mijn angsten. Maar ik ben niet meer die oude persoon. Zeker niet als het om dit soort dingen gaat. Als iemand mij durft te benaderen en vragen te stellen over de islam. Dan ga ik moeder en zus van [naam] uitschelden. Als iemand mij op deze manier benadert. Dan zie ik dat als dwang. Ik kan daar niet meer tegen. Ik ben niet meer de oude persoon die zo maar overal in meegaat.(…) . Als iemand van de [militaire organisatie] , van de moskee of ordediensten mij iets durft te vragen over de islam, krijgt hij een schop op zijn borst van mij en ik scheld hem uit met zijn islam. Het maakt me niet meer uit wat er met mij gebeurt.
(…)
Als ze mij wilde benaderen en over de islam wil praten, zeg ik stop hiermee. Anders scheld ik je god en je profeten uit.”.
De rechtbank ziet niet in waarom het antwoord op pagina 25 van het nader gehoor, de antwoorden op pagina’s 26 en 27 over het uiten van zijn afvalligheid teniet zouden doen en dus relevanter is dan zijn overige verklaringen. Dit klemt naar het oordeel van de rechtbank temeer nu onduidelijk is wat eiser precies heeft bedoeld met ‘
Ik zou natuurlijk willen doen alsof’. Verweerder heeft daar niet op doorgevraagd. Daarbij acht de rechtbank het ook van belang dat de gemachtigde van eiser op zitting heeft gezegd dat zij uit gesprekken en eerdere zittingen met hem, eiser kent als iemand die ongenuanceerd zijn mening geeft en het hem domweg niet zal lukken om zich terughoudend op te stellen, zelfs als hij dat zou willen. De beroepsgrond slaagt.
9.6
Verweerder dient in het nieuw te nemen besluit voorts te betrekken dat de kans dat eiser op het vliegveld van Teheran zal worden ondervraagd bij terugkeer zeer aanwezig is. Uit het ambtsbericht [10] volgt namelijk dat het risico dat iemand bij aankomst wordt ondervraagd groot is, als diegene lang in het buitenland heeft verbleven en eiser verblijft al 25 jaar buiten Iran. De rechtbank hecht er aan daarbij op te merken dat verweerders overwegingen ten aanzien van de ondervraging op het vliegveld, in strijd zijn met het recht. Verweerder heeft in het besluit immers aangegeven dat van eiser kan worden verwacht dat hij tijdens de ondervraging antwoordt dat hij moslim is. Dat is niet alleen strijdig met het vereiste dat van eiser geen terughoudendheid mag worden verwacht, maar is ook het actief uitdragen dat eiser over een fundamenteel onderdeel van zijn identiteit zal moeten liegen. Het past een behoorlijk handelende overheid niet om dit van mensen te verlangen.
10. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

11. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
14. Nu op het beroep is beslist bestaat er geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 23 juni 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; en,
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Hof van Justitie van de Europese Unie.
4.Arrest van het Hof van 21 september 2023, zaaknummer C-151/22.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.ECLI:EU:C:2012:518.
10.Pagina 116 van het algemeen ambtsbericht.