Eiser diende op 10 september 2023 een asielaanvraag in. De minister vroeg op 19 oktober 2023 de autoriteiten van Zweden om eiser terug te nemen op grond van de Dublinverordening, welke op 23 oktober 2023 werd bevestigd. Eiser ging hiertegen in beroep, dat op 9 februari 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd eiser niet binnen zes maanden overgedragen, waardoor Nederland op 24 april 2024 verantwoordelijk werd voor de asielaanvraag.
De rechtbank constateert dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde termijn van twee weken heeft besloten. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van acht weken op, rekening houdend met het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij bij overschrijding van 21 maanden een kortere termijn passend is.
De minister wordt verplicht binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak een besluit te nemen. Bij overschrijding van deze termijn is een dwangsom van € 100,- per dag verschuldigd, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten van € 453,50.
De uitspraak is gedaan zonder zitting door rechter A. Sibma en griffier A.W. Landman. Eiser kan binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.