ECLI:NL:RBDHA:2025:22192

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
NL25.46835
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 18, eerste lid onder d, DublinverordeningArt. 29 tweede lid DublinverordeningArt. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:12, tweede lid aanhef en onder a, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen acht weken beslissing nemen op asielaanvraag na overschrijding beslistermijn

Eiser diende op 10 september 2023 een asielaanvraag in. De minister vroeg op 19 oktober 2023 de autoriteiten van Zweden om eiser terug te nemen op grond van de Dublinverordening, welke op 23 oktober 2023 werd bevestigd. Eiser ging hiertegen in beroep, dat op 9 februari 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd eiser niet binnen zes maanden overgedragen, waardoor Nederland op 24 april 2024 verantwoordelijk werd voor de asielaanvraag.

De rechtbank constateert dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde termijn van twee weken heeft besloten. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van acht weken op, rekening houdend met het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij bij overschrijding van 21 maanden een kortere termijn passend is.

De minister wordt verplicht binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak een besluit te nemen. Bij overschrijding van deze termijn is een dwangsom van € 100,- per dag verschuldigd, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten van € 453,50.

De uitspraak is gedaan zonder zitting door rechter A. Sibma en griffier A.W. Landman. Eiser kan binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: De minister moet binnen acht weken een besluit nemen op de asielaanvraag, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46835

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R. Balkenende),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 10 september 2023.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Procesverloop.
2. Op 10 september 2023 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Op 19 oktober 2023 zijn de autoriteiten van Zweden gevraagd om eiser terug te nemen op grond van de Dublinverordening. [2] Op 23 oktober 2023 zijn de autoriteiten van Zweden hiermee akkoord gegaan. Eiser is hiertegen in beroep gegaan, de rechtbank heeft in de uitspraak van 9 februari 2024 dit beroep ongegrond verklaard. Eiser is vervolgens niet binnen de termijn van zes maanden overgedragen aan de autoriteiten van Zweden. [3] Op 24 april 2024 is Nederland verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag.
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
3. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken. [4] Eiser heeft de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [5] Dat heeft de minister niet gedaan en eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. [6]
4. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.

Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?

5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. [7] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. [8]
6. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden [9] is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister in principe binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
7. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. [10]
8. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit op de aanvraag neemt, de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. [11]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
10. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50. [12]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 18, eerste lid onder d, Dublinverordening.
3.Artikel 29 tweede Pro lid, Dublinverordening,
4.Artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
5.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb.
6.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
7.Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
9.Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
11.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
12.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.