In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 25 november 2025, wordt het beroep van eisers behandeld die zich beklaagden over het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op hun aanvragen voor een machtiging voor voorlopig verblijf, ingediend op 10 december 2024. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting behandeld en heeft het verzoek van eisers om vrijstelling van het griffierecht toegewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvragen moet beslissen, maar deze termijn was met drie maanden verlengd en inmiddels verstreken. Eisers hebben de minister verzocht om alsnog binnen twee weken te beslissen, maar dit is niet gebeurd, waarna zij beroep hebben ingesteld. De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond. De rechtbank stelt vast dat het dossier mogelijk niet compleet is, omdat de minister nog documenten moet beoordelen. Daarom legt de rechtbank de minister op om binnen acht weken na bekendmaking van de uitspraak een beslissing te nemen, met de mogelijkheid van een verlenging tot twintig weken indien de minister besluit tot nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding van de termijn, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eisers, vastgesteld op € 453,50.