ECLI:NL:RBDHA:2025:22305

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL25.13054
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf met zorgvuldigheidsgebreken

Op 25 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak van eiseres, die een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) had ingediend. De aanvraag werd afgewezen door de minister van Asiel en Migratie, en eiseres was het hier niet mee eens. In haar beroep voerde zij verschillende gronden aan, maar de rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond was vanwege zorgvuldigheidsgebreken in de besluitvorming van de minister. De rechtbank concludeerde echter dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt had gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid waren tussen eiseres en haar dochters, die als referenten fungeerden. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand, wat betekende dat de afwijzing van de aanvraag bleef bestaan. Eiseres werd in de proceskosten veroordeeld, en de minister moest het griffierecht vergoeden. De uitspraak benadrukt de noodzaak van zorgvuldigheid in de besluitvorming en de criteria voor het vaststellen van afhankelijkheid in het kader van het vreemdelingenrecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13054

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat sprake is van zorgvuldigheidsgebreken. De minister heeft deze gebreken hersteld en zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referenten. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Hoewel het beroep gegrond is, krijgt eiseres dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verblijf als familie- of gezinslid bij
[persoon A] en [persoon B] (referenten), beiden dochters van eiseres. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 18 december 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referenten, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Is het besluit voldoende zorgvuldig voorbereid?
3. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig is voorbereid. Zij wijst erop dat de minister blijkens het bestreden besluit nog vragen had over bepaalde voorafgaand aan de hoorzitting aangeleverde informatie, waarover tijdens de hoorzitting ten onrechte niet is doorgevraagd. Eiseres wijst in dat kader op het ingediende beloverzicht met telefoongegevens, het betaaloverzicht en de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 februari 2023. [1] Verder wijst eiseres erop dat in het bestreden besluit niet de stukken zijn betrokken die zij met dagtekening 29 december 2024, zijnde de verklaringen van de getuigen, aan het dossier heeft toegevoegd.
3.1.
Het betoog slaagt. Blijkens het bestreden besluit had de minister kennelijk ten aanzien van de voor de hoorzitting overgelegde uitspraak en het beloverzicht nog vragen, zodat deze vragen tijdens de hoorzitting aan de orde dienden te worden gesteld. Hiermee is het onderzoek tijdens de hoorzitting onvoldoende zorgvuldig geweest en is er sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. Tijdens de zitting bij de rechtbank zijn deze stukken aan de orde gekomen en nader toegelicht namens eiseres. De minister heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld de conclusie dat tussen eiseres en haar dochters geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid overeind blijft.
3.2
De minister heeft verder in het verweerschrift en ter zitting erkend dat in het bestreden besluit de verklaringen van de getuigen die bij brief van 29 december 2024 zijn overgelegd door eiseres, niet zijn betrokken. In zoverre is dus sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. De minister heeft echter in zijn briefverweer deze stukken alsnog betrokken in zijn oordeelsvorming en geconcludeerd dat deze stukken het standpunt van de minister niet anders maken
3.3.
De rechtbank concludeert aldus dat sprake is van twee zorgvuldigheidsgebreken. Welke gevolgen deze twee zorgvuldigheidsgebreken hebben bespreekt de rechtbank hierna.
De aanvraag
4. Referenten zijn halfzussen. Hun moeder (eiseres) is nog woonachtig in Sri Lanka. Omdat de echtgenoot van eiseres in 2022 is overleden en omdat eiseres volgens referenten zorg nodig heeft, willen referenten dat eiseres naar Nederland komt zodat zij voor haar kunnen zorgen.
Is sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referenten en eiseres?
5. Eiseres betoogt dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen haar en haar dochters. Volgens eiseres heeft de minister geen cumulatieve afweging gemaakt waardoor het versterkende karakter van alle door eiseres aangevoerde verklaringen en gegevens ten onrechte niet tot uiting komt in de besluitvorming. Eiseres wijst erop dat de minister in het bestreden besluit niet inhoudelijk is ingegaan op het bezwaarschrift. Daarbij is in het besluit volgens eiseres ten onrechte niet meegewogen dat referenten ook gedurende hun verblijf in Nederland zorg hebben gedragen voor eiseres. Sinds er geen visum meer wordt verstrekt, is deze zorgrelatie feitelijk onmogelijk geworden, wat de afhankelijkheid nog meer versterkt.
Het juridisch kader
6. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft overwogen dat familiebanden tussen volwassenen geen bescherming genieten, tenzij er tussen betrokkenen 'additional elements of dependence' –oftewel 'more than the normal emotional ties' – (bijkomende elementen van afhankelijkheid) bestaan. [2] Volgens het EHRM kan immers dan pas worden gesproken van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen. Ook volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat de vraag of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag van feitelijke aard is en dat beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. [3] Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken.
6.1.
Voor de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen de volgende factoren relevant zijn: of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkene, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin. Geen van deze factoren zijn op zichzelf of in combinatie per definitie voldoende om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aan te nemen. Daarbij zullen steeds alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. [4]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de conclusie is dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er tussen haar en referenten sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank licht dit hieronder toe.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet heeft onderbouwd dat zij tot 2003 met [persoon A] heeft samengewoond. Hetzelfde geldt voor haar andere dochter [persoon B] die sinds tien jaar in Nederland is.
7.2.
Verder stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij afhankelijk is van hulp van haar dochters. De twee medische verklaringen waaruit volgt dat eiseres (mild) depressief is, angststoornissen heeft en medicatie slikt is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Hoewel de rechtbank op grond van de stukken aannemelijk vindt dat eiseres een zorgbehoefte heeft, heeft zij niet geconcretiseerd waaruit deze zorgbehoefte in de praktijk precies bestaat en waarom eiseres voor die zorg afhankelijk zou zijn van referenten.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister voorts niet ten onrechte dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Sri Lanka geen hulp zou kunnen krijgen. Eiseres heeft naar eigen zeggen hulp gekregen van een arts en een aantal personen die nu voor haar zorgen. De omstandigheid dat de vier personen die nu voor eiseres zorgen, hebben aangegeven daarmee te willen stoppen maakt op zichzelf niet aannemelijk dat eiseres er in Sri Lanka helemaal alleen voor zal staan. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij in Sri Lanka verder geen vrienden, familieleden of kennissen heeft die voor haar zouden kunnen zorgen. Ook betoog van eiseres dat in het noorden dan wel zuiden van Sri Lanka geen verpleeghuizen zouden zijn waar zij terecht kan volgt de rechtbank niet. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 februari 2023 [5] volgt, anders dan eiseres betoogt, niet dat in Sri Lanka in het geheel geen verzorgingstehuizen voor eiseres zouden zijn, maar slechts dat de (destijds nog) staatssecretaris zijn standpunt dat dat wél zo zou zijn in die specifieke zaak niet voldoende heeft onderbouwd. Het is in dit geval aan eiseres om aannemelijk te maken dat er geen verpleeghuizen zijn in Sri Lanka waar zij terecht zou kunnen. Daarin is zij niet geslaagd.
7.4.
Verder heeft de minister eiseres mogen tegenwerpen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de banden die zij heeft met referenten sterker zijn dan de banden die zij heeft met haar andere kinderen in Engeland, Frankrijk of Zwitserland. Dat eiseres naar eigen zeggen sterke banden heeft met referenten is daarom geen aanwijzing voor bijkomende elementen van afhankelijkheid ten opzichte van referenten. De omstandigheid dat eiseres meermaals naar Nederland is gekomen op basis van visa voor kort verblijf heeft de minister niet ten onrechte niet tot een ander standpunt gebracht. De minister werpt eiseres niet ten onrechte tegen dat niet meer dan normaal is dat eiseres haar kinderen af en toe opzoekt en dat daarmee ook geen sprake is van aanwijzingen die duiden op bijkomende elementen van afhankelijkheid.
7.5.
Ten aanzien van de gestelde financiële afhankelijkheid oordeelt de rechtbank als volgt. Uit het voor de hoorzitting overgelegde betaaloverzicht volgt dat referenten drie keer geld hebben overgemaakt naar eiseres. Daarover stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat referenten deze giften evenzogoed op afstand kunnen blijven doen en dat daaruit geen bijkomend element van afhankelijkheid volgt dat maakt dat eiseres zich in Nederland zou moeten vestigen. Het voor de hoorzitting overgelegde beloverzicht heeft de minister ook niet tot een andere conclusie hoeven leiden. Daaruit volgt immers niet meer dan dat referenten telefonisch contact hebben met hun moeder, hetgeen geen bijkomend element van afhankelijkheid oplevert, maar eerder een vorm van normaal contact tussen dochters en hun moeder die in Sri Lanka woont.
7.6.
De minister overweegt ook niet ten onrechte dat de banden van eiseres met Sri Lanka groter zijn dan met Nederland, ondanks de aanwezigheid van referenten.
7.7.
Het betoog van eiseres dat geen rekening is gehouden met de door haar aangevoerde omstandigheden in onderling verband, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft namelijk niet geconcretiseerd welke omstandigheden door de minister specifiek niet juist zouden zijn gewogen en hoe deze omstandigheden elkaar zouden moeten hebben beïnvloed bij de beoordeling door de minister. Ook volgt de rechtbank niet het betoog van eiseres dat in het bestreden besluit geen rekening is gehouden met de zorg die referenten aan eiseres hebben geboden. Zoals uit voorgaande volgt heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij afhankelijk is van zorg door referenten.
Belangenafweging
8. Nu de rechtbank van oordeel is dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referenten en er dus geen sprake is van familie-of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, is een nadere belangenafweging niet nodig. [6] De rechtbank zal de gronden die eiseres daartegen heeft gericht daarom niet bespreken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat er sprake is van zorgvuldigheidsgebreken. [7] Omdat de minister de gebreken in de beroepsfase echter heeft hersteld en omdat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referenten en eiseres, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. [8] Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van een door een derde beroepsmatig verleend rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting met een waarde van € 907,- per punt en wegingsfactor 1. Ook moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- aan haar vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 februari 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-
- bepaalt dat de minister het griffierecht ter hoogte van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL21.10671.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het EHRM van 2 september 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816 (Azerkane) punt 64.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 5.3.
4.Zie WI2020/16, onder 3.4. Zie ook paragraaf B7/3.8. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
5.Zaaknummer NL21.10671.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:267.
7.Zie rechtsoverweging 3 en 3.1.
8.Artikel 8:72, derde lid onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.