ECLI:NL:RVS:2025:267
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- N. Verheij
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid tussen vreemdeling en referent
De vreemdeling, een Syrische vrouw, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf om bij haar meerderjarige dochter, de referent, in Nederland te verblijven. De staatssecretaris wees dit verzoek af omdat er geen sprake zou zijn van bijkomende afhankelijkheid die een familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro zou rechtvaardigen. De rechtbank had dit besluit vernietigd en de zaak terugverwezen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de minister terecht heeft overwogen dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan tussen de vreemdeling en de referent. De minister hield rekening met het feit dat de referent en de vreemdeling sinds 2000 niet samenwonen en dat de referent een eigen gezin heeft. Ook de financiële ondersteuning op afstand en het ontbreken van concrete aanwijzingen dat de zorg uitsluitend door de referent kan worden verleend, zijn meegewogen.
De emotionele band die na het overlijden van de echtgenoot van de vreemdeling in 2020 is versterkt, is onvoldoende om bijkomende afhankelijkheid aan te nemen. De minister hoefde daarom geen belangenafweging te maken. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf blijft in stand.