ECLI:NL:RBDHA:2025:22309

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL25.56380
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod van een Colombiaanse vreemdeling

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, op 26 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een terugkeerbesluit en inreisverbod dat aan eiseres, een Colombiaanse vreemdeling, was opgelegd. De minister van Asiel en Migratie had op 7 november 2025 een terugkeerbesluit genomen, waarbij eiseres een vertrektermijn werd onthouden en een inreisverbod voor de duur van twee jaar werd opgelegd. Eiseres heeft op 9 november 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening, die op 14 november 2025 werd toegewezen. Tijdens de zitting op 19 november 2025 was eiseres aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde, en werd zij gehoord met behulp van een tolk.

De rechtbank overwoog dat eiseres geen rechtmatig verblijf in Nederland had en ook geen verblijfsrecht in Spanje. Het gehoor dat aan eiseres was afgenomen, werd als zorgvuldig beschouwd, en de rechtbank oordeelde dat de minister terecht een terugkeerbesluit had genomen op basis van de Vreemdelingenwet. Eiseres betwistte de gronden van het besluit, maar de rechtbank concludeerde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom de gronden voor het terugkeerbesluit en inreisverbod van toepassing waren. De rechtbank oordeelde dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestond, en dat de overige beroepsgronden geen nadere bespreking behoefden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de verzoeken om proceskostenvergoeding af. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56380

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.F. Ziabutt),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarbij hij een vertrektermijn heeft onthouden. Ook heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen eiseres uitgevaardigd.
Eiseres heeft hiertegen op 9 november 2025 beroep ingesteld. Bovendien heeft eiseres op dezelfde datum de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat eiseres het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod in Nederland mag afwachten.
Bij uitspraak van 14 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. [1]
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 19 november 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [datum] 2005 en heeft de Colombiaanse nationaliteit.

Terugkeerbesluit

2. Het is niet in geschil dat eiseres geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en ook geen verblijfsrecht in Spanje. Verweerder was dan ook op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vw [2] gehouden een terugkeerbesluit tegen eiseres uit te vaardigen.
3. De rechtbank stelt vast dat eiseres voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit en inreisverbod is gehoord. Tijdens dit gehoor is zij voldoende in de gelegenheid gesteld om haar zienwijze naar voren te brengen. Daarnaast heeft eiseres ingestemd om het gehoor te laten plaatsvinden zonder aanwezigheid van een advocaat. [3] Ook is eiseres met behulp van een tolk Spaans gehoord, waarbij zij heeft aangegeven deze goed te verstaan en te begrijpen. [4] De rechtbank is dan ook van oordeel dat het gehoor op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
4. Verweerder heeft in het terugkeerbesluit overwogen dat eiseres een vertrektermijn wordt onthouden, omdat een risico bestaat dat zij zich aan het toezicht zal onttrekken. In het terugkeerbesluit staan als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan één of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiseres betwist alle in het bestreden besluit genoemde gronden. Hiertoe voert zij aan dat ze weliswaar een langer verblijf in de Europese Unie beoogde, maar dan wel in Spanje en niet in Nederland. Daarnaast is onduidelijk of verweerder zich ervan heeft vergewist of eiseres op de hoogte was van haar meldplicht. Ook is eiseres in het bezit van een paspoort, zodat zij de uitzetting niet kan frustreren. Verder staat eiseres niet in Nederland ingeschreven, omdat zij als toerist slechts een vriend in Nederland kwam bezoeken. Tot slot was eiseres in het bezit van €193,80. Dit is voldoende om een vliegticket terug naar Barcelona te bekostigen en zich aldaar bij haar vriend te vestigen. Daarnaast wordt eiseres financieel gesteund door haar tante en diens partner.
6. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de vorengenoemde zware en lichte gronden volstaan met een toelichting waaruit de feitelijke juistheid van deze gronden blijkt, waarbij verweerder de lichte gronden nader dient toe te lichten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder – in ieder geval - terecht de zware grond 3a en de lichte gronden 4c en 4d aan eiseres heeft mogen tegenwerpen en dat dit door verweerder voldoende is gemotiveerd. De vrije termijn van eiseres was ten tijde van haar inreis in Nederland geruime tijd verlopen. Daarnaast is niet in geschil dat zij geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft in Nederland en niet zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Dat een vriend van eiseres in Nederland haar verblijf in Nederland wenst te bekostigen, maakt het voorgaande niet anders. Reeds uit deze zware en lichte gronden volgt een risico op onttrekking aan het toezicht, zodat de overige beroepsgronden geen nadere bespreking behoeven.
7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw een vertrektermijn kunnen onthouden. Voor zover eiseres stelt dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM [5] , volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat verweerder bij het nemen van een terugkeerbesluit niet hoeft te toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van het EVRM. [6] Verweerder heeft dan ook terecht een terugkeerbesluit opgelegd inhoudende dat eiseres dient terug te keren naar Colombia. De stelling van eiseres dat verweerder haar had moeten laten terugkeren naar Spanje, miskent dat eiseres onrechtmatig verblijf heeft in Nederland en de Europese Unie, dus ook Spanje. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat een terugkeer naar Spanje niet leidt tot het beoogde doel, namelijk een terugkeer naar Colombia.

Inreisverbod

8. Uit artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw en artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb [7] volgt dat verweerder een inreisverbod van ten hoogste twee jaren uitvaardigt tegen een vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten en waarbij een afzonderlijk besluit wordt genomen. Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw kan verweerder, in afwijking van het eerste lid, om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Verder is in paragraaf A4/2.2, onder b en c, van de Vc [8] opgenomen dat geen inreisverbod wordt opgelegd als de vreemdeling een verblijfsvergunning heeft in de Europese Unie of als sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM.
9. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan de hand van de door eiseres in haar gehoor genoemde omstandigheden voldoende gemotiveerd waarom van voorgaande geen sprake is. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiseres volgt dat tussen haar en haar tante (en haar gezin) of tussen haar en haar gestelde partner in Spanje geen beschermenswaardig familieleven kan worden aangenomen. Verweerder heeft terecht tegengeworpen dat onvoldoende is gebleken van afhankelijkheid tussen eiseres en haar tante en gezinsleden. Wat eiseres ter zitting heeft aangevoerd over de rol die haar tante in haar leven heeft gespeeld en de financiële verantwoordelijkheid die zij over eiseres draagt, met daarbij de overgelegde verklaring van haar gemachtigde in Spanje, heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden om te spreken van een beschermenswaardig familieleven. Verder heeft verweerder ten aanzien van het privéleven van eiseres voldoende gemotiveerd dat haar privéleven deels is opgebouwd gedurende haar illegale verblijf in de Europese Unie. Daarbij veronderstelt verweerder niet ten onrechte dat de band die eiseres met Colombia heeft sterker is dan de band die eiseres in zeven maanden gedurende haar deels illegale verblijf bij haar tante met de Europese Unie heeft opgebouwd. Tot slot is niet gebleken dat eiseres op dit moment legaal verblijf heeft in Spanje. Voor zover uit de door eiseres gemaakte afspraak in december 2025 om zich te laten inschrijven op het adres van haar tante moet worden aangenomen dat het sociaal centrum in Spanje bezig is met het formaliseren van haar verblijfsrecht en dat er mogelijk sprake is van procedureel rechtmatig verblijf, merkt de rechtbank op dat een dergelijke verblijfsstatus niet aangemerkt kan worden als een geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf in de zin van artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond.
10. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond;
Deze uitspraak is gedaan op 26 november 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 14 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21779.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Rapport van gehoor van 7 november 2025, p. 3 van 8.
4.Rapport van gehoor van 7 november 2025, p.3 van 8.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.ABRvS 1 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2816 en 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2918.
7.Vreemdelingenbesluit 2000.
8.Vreemdelingencirculaire 2000.