ECLI:NL:RBDHA:2025:22343

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL25.25476
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een jezidi uit Irak met betrekking tot de beoordeling van een duurzame en exclusieve relatie

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag wordt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, een jezidi uit Irak, behandeld. Eiser heeft op 7 november 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 9 mei 2025 is afgewezen. De rechtbank heeft op 9 oktober 2025 de zaak behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren. Eiser stelt dat hij gediscrimineerd wordt vanwege zijn jezidi-achtergrond en dat hij problemen ondervindt van de PKK en een islamitische groepering. De rechtbank oordeelt dat de minister de afwijzing van de asielaanvraag terecht in stand heeft gehouden. De rechtbank concludeert dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn asielmotieven en dat de minister de duur van de relatie met zijn partner wel degelijk heeft mogen betrekken bij de beoordeling van de aanvraag. Eiser heeft niet aangetoond dat er sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, wat essentieel is voor het verkrijgen van verblijfsrecht op basis van gezinsleven. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de proceskosten af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25476

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F.H. Gart),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K. Jansen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 7 november 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 mei 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is jezidi en is geboren in Irak. In april 2015 is eiser naar Turkije gevlucht vanwege de genocide in de regio Sinjar. Eiser heeft aangegeven dat hij discriminatie ondervindt omdat hij jezidi is. Hij wordt beledigd en moet langer wachten bij controleposten en bij het ophalen van overheidsdocumenten. Daarnaast is eiser driemaal benaderd door de PKK, [2] die eiser wilde rekruteren. De derde keer werd eiser bang en is 3 september 2021 naar Duhok vertrokken, omdat dit aan de grens van Turkije ligt. Eiser vond daar werk bij een bakkerij, maar werd na een week ontvoerd door vier mannen van een islamitische groepering. Zij lieten hem na drie uur vrij, maar lieten weten dat zij eiser zouden vermoorden als eiser zijn werk zou blijven uitvoeren. Eiser heeft 19 september 2021 zijn land van herkomst verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1) de identiteit, nationaliteit en herkomst;
2) discriminatie omdat eiser jezidi is;
3) dat de PKK eiser wilde dwingen om bij hen aan te sluiten;
4) problemen met een islamitische groepering.
4.1
De minister gelooft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. De minister gelooft ook dat eiser als jezidi is gediscrimineerd. De minister gelooft niet dat de PKK eiser wilde dwingen zich aan te sluiten bij hen en evenmin dat eiser problemen heeft ondervonden van een islamitische groepering. Omdat eiser de ongeloofwaardig geachte motieven niet volledig heeft onderbouwd met documenten heeft de minister aan de hand van artikel 31, zesde lid van de Vw beoordeeld deze asielmotieven alsnog geloofwaardig zijn. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
4.2
De minister meent dat eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet in aanmerking komt voor een asielvergunning. Eiser heeft sinds de genocide op de jezidi’s in 2014 nog zo’n tien jaar in Irak heeft verbleven. Uit landeninformatie blijkt niet dat de situatie van jezidi’s in Irak nog altijd zo slecht is dat zij per definitie hebben te vrezen voor vluchtelingrechtelijke vervolging of een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. [3] Er is dan ook geen specifiek beleid voor jezidi’s opgenomen in het landenbeleid. Dat betekent dat eiser specifieke persoonlijke problemen of individuele kenmerken naar voren moet brengen, waaruit een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. Hierin is eiser niet geslaagd.
4.3
Wat betreft de ervaren discriminatie heeft de minister aangegeven dat discriminatie oor de autoriteiten en door medeburgers een daad van vervolging is, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Dit is in het geval van eiser niet het geval. Eiser had toegang tot onderwijs en medische zorg is nooit geweigerd. Dat het moeilijk was om werk te vinden doet hieraan niet af. Eiser heeft verschillende beroepen uitgeoefend en uit niets blijkt dat het voor eiser onmogelijk is om opnieuw werk te vinden.
4.4
Dat eiser niet kan terugkeren naar zijn voormalige woongebied in Irak, wordt niet
gevolgd. In paragraaf C7/16.4.3 van de Vc [4] staat dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de regio’s Diyala, Duhok, Erbil en Ninewa. De enkele
aanwezigheid in dit gebied is op zichzelf dan ook niet voldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Dat betekent dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij méér risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld dan anderen in dit gebied. Eiser heeft volgens de minister geen individuele omstandigheden aangedragen die hierop wijzen.
4.5
De minister meent, ambtshalve toetsend, dat eiser ook niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Ten aanzien van de relatie met zijn echtgenote heeft de minister aangegeven dat geen sprake is van een naar internationaal privaatrecht geldig huwelijk. Er is ook geen sprake van een duurzame en exclusieve relatie. De minister meent dat eiser niet heeft aangetoond dat al sprake was van een relatie voordat de partner naar Nederland kwam in juni 2023. Eiser woont ook niet samen met zijn echtgenote. Er is geen sprake van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daarnaast wegen de belangen van de Nederlandse staat in dit geval zwaarder dan de belangen van eiser. Ook blijkt uit niets dat er sprake is van een objectieve belemmering, waardoor eiser zijn gezinsleven niet met zijn echtgenote zou kunnen voortzetten in Irak.

Beoordeling door de rechtbank

Omvang van het geschil
5. De rechtbank stelt eerst vast dat eiser de beoordeling van door de minister van de motieven 3 en 4 niet heeft bestreden en dat hij alleen opkomt tegen het standpunt van de minister ten aanzien van de gestelde discriminatie en artikel 8 van het EVRM. Dat betekent dat niet in geschil is dat ongeloofwaardig is dat de PKK eiser wilde dwingen om zich bij hen aan te sluiten en dat ook niet in geschil is dat ongeloofwaardig is dat eiser problemen heeft gehad met een islamitische groepering.
Discriminatie
Wat vindt eiser ten aanzien van de beoordeling van de gestelde discriminatie?
6. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Zo heeft eiser verklaard dat er oproepen zijn van een islamitische geestelijken om jezidi’s af te slachten. Ook wijst eiser op artikel 31, vijfde lid, van de Vw en op een uitspraak van 16 april 2025 van deze rechtbank zittingsplaats Rotterdam. [5]
Wat oordeelt de rechtbank?
7. Wat betreft de discriminatie is de rechtbank van oordeel, dat eiser geen grote belemmeringen heeft ervaren waardoor hij ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiser toegang had tot onderwijs en dat medische zorg nooit aan hem is geweigerd. Verder heeft eiser verschillende beroepen uitgeoefend en blijkt niet dat het voor eiser niet mogelijk is om opnieuw werk te vinden. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat niet in geschil is dat de gestelde problemen met de PKK en een islamitische groepering ongeloofwaardig zijn. Ook in zoverre bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat eiser ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden. De minister heeft op goede gronden overwogen dat eisers beroep op artikel 31, vijfde lid van de Vw, niet alsnog leidt tot de conclusie dat er alsnog vanuit dient te worden gegaan dat eiser bij terugkeer te maken zal krijgen met grote belemmeringen waardoor eiser ernstig in zijn bestaansmogelijkheden zal worden beperkt. De rechtbank is van oordeel dat de minister (de toepasselijkheid van) het bewijsvermoeden van deze bepaling voldoende heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag in hoeverre eiser bij een terugkeer voor vervolging dan wel ernstige schade van heeft te vrezen. Anders dan in de Rotterdamse zaak, heeft eiser niet te maken gehad met daadwerkelijke belemmeringen. Hoewel de minister niet onaannemelijk heeft geacht dat eiser daadwerkelijk in 2014 is gevlucht heeft de minister niet ten onrechte overwegen dat eiser sindsdien tot 2021 zonder noemenswaardige problemen heeft verbleven in Irak. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld zoals weergegeven onder 4.3.
Artikel 8 van het EVRM
Wat vindt eiser ten aanzien van artikel 8 van het EVRM?
8. Eiser stelt dat hij en zijn partner een duurzame en exclusieve relatie hebben, zodat hem verblijfsrecht op grond van artikel 8 van het EVRM moet worden toegestaan. Eiser stelt dat de relatie al bestond ten tijde van zijn verblijf in Irak, maar in ieder geval vanaf het moment dat zijn partner in Nederland is, te weten juni 2023. Eiser merkt daarbij op dat zij op 1 oktober 2023 traditioneel zijn gehuwd. Ter onderbouwing van dit traditionele huwelijk, en daarmee van de stelling dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, heeft eiser op 5 oktober 2025 stukken overgelegd van de jezidi-raad en de rechtbank in Irak. Uit deze stukken volgt dat het traditionele huwelijk is geregistreerd in Irak. Verder verwijst eiser naar foto’s en is hij van mening dat de hoormedewerker de video en foto’s van dit huwelijk ten onrechte niet heeft willen bekijken. Daarmee is eiser een kans ontnomen om toelichting te geven bij deze beelden. Eiser heeft de foto’s wel alsnog overgelegd bij de zienswijze. Eiser meent verder dat het niet aan hem te wijten is dat hij en zijn partner niet samenwonen. Eiser heeft het COA [6] verzocht om overplaatsing naar een AZC [7] dichterbij zijn partner. Op de zitting heeft eiser aangegeven dat hij het COA meermaals hierom heeft verzocht, omdat het voor hem niet mogelijk is om bij zijn partner en haar ouders in hun kleine woning te verblijven. Ten slotte heeft eiser betwist dat er voor hem en zijn partner geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Irak uit te oefenen, omdat hij in Irak te vrezen heeft zoals volgt uit zijn asielaanvraag.
Wat is het standpunt van de minister?
8.1
De minister meent dat de door eiser in beroep overgelegde stukken buiten beschouwing moeten worden gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Eiser heeft ze pas enige dagen voor de zitting ingebracht en niet uiterlijk de elfde dag voor zitting, zoals in de uitnodiging van de rechtbank staat vermeld. Subsidiair stelt de minister dat de overgelegde stukken niet leiden tot een ander oordeel. Niet is aangetoond dat eiser en zijn partner een reële en in voldoende mate met een huwelijk op één lijn te stellen relatie hebben, als bedoeld in paragraaf B7/3.8 van de Vc. Daarbij heeft de minister desgevraagd laten weten dat niet de duur van de relatie daarbij doorslaggevend is, maar dat ook de invulling van de relatie moet worden betrokken. Eiser geeft onvoldoende invulling aan zijn relatie. Dat er geen sprake is van samenwoning is daarvoor een aanwijzing. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij het COA heeft verzocht om overplaatsing. Ook uit eisers verklaring blijkt onvoldoende hoe invulling wordt gegeven aan de relatie, terwijl zij op zo’n grote afstand van elkaar verblijven. Aan eiser wordt niet langer tegengeworpen dat hij tijdens het gehoor bij de Vreemdelingenpolitie ven het Dublingehoor van niet over zijn partner heeft verklaard.
Strijd met goede procesorde?
9. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat later in de procedure nog nadere gegevens of nadere stukken ter onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt mogen worden ingediend. Dat mag alleen niet als dat in strijd is met de goede procesorde. Er is sprake van strijd met de goede procesorde als die nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend, dat de andere partij wordt belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. Voor het beantwoorden van die vraag is doorslaggevend of een zinvolle bespreking van de stukken op de zitting kan plaatsvinden. [8]
9.1.
Uit de rechtspraak volgt dus dat de rechter de mogelijkheid heeft stukken die een partij eerst op de zitting wil overleggen of kort voor de zitting heeft overgelegd niet in de procedure toe te laten op grond van de goede procesorde. Dat kan als de partij die dat wil doen een verwijt gemaakt kan worden over de late indiening daarvan en een zinvolle bespreking van de stukken op de zitting in gevaar komt. De vraag is of eiser een verwijt kan worden gemaakt voor wat betreft het niet eerder indienen van de stukken van de jezidi-raad en de rechtbank te Al Shamal, Irak. Op de zitting heeft eiser desgevraagd aangegeven dat hij de stukken zo snel mogelijk na ontvangst en vertaling heeft ingediend. Het stuk van de jezidi-raad is gedateerd op 19 augustus 2025. Het stuk van Iraakse rechtbank is gedateerd op 25 augustus 2025. Eiser heeft op de zitting desgevraagd laten weten dat hij het stuk van de jezidi-raad naar Irak heeft verzonden om zijn huwelijk te kunnen inschrijven. Beide stukken zijn na inschrijving naar hem toegezonden. Eiser heeft ze na ontvangst ter vertaling aangeboden. Uit de stukken blijkt dat de vertaling dateert van 30 september 2025. Eiser heeft de stukken nadien ontvangen en op zondagochtend 5 oktober 2025 geüpload. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het te laat overleggen van deze stukken.
9.2.
De minister heeft op de zitting niet gesteld dat de indiening maakt dat hij op de overgelegde stukken niet dan wel onvoldoende kan reageren. De minister heeft juist gesteld dat ook de overgelegde stukken niet kunnen leiden tot een ander oordeel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van het in gevaar brengen van een zinvolle bespreking niet is gebleken. De rechtbank zal de overgelegde stukken daarom bij de beoordeling betrekken.
Is er sprake van een duurzame en exclusieve relatie?
10. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat zijn traditionele huwelijk niet is aan te merken als een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk. De vraag die beantwoord moet worden is dan ook of de minister heeft kunnen stellen dat op dit moment niet is gebleken van een duurzame en exclusieve relatie die in voldoende mate is gelijk te stellen met een huwelijk. [9] Daarbij is het aan eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie.
10.1
Met de in beroep overgelegde huwelijksstukken, waarvan de echtheid niet door de minister is betwist, heeft eiser zijn traditionele huwelijk en de inschrijving daarvan aangetoond. De minister heeft echter op de zitting mogen aangegeven dat hieruit nog niet volgt dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. Zoals de minister op de zitting heeft aangegeven is daarvoor van belang of en in welke mate invulling wordt gegeven aan de relatie. De eerst in beroep overgelegde stukken geven daarin geen inzicht. De rechtbank merkt daarbij op dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat en op welke wijze invulling wordt gegeven aan de relatie.
10.2
De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in de invulling van zijn relatie. Eiser heeft geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt op welke wijze aan de relatie invulling wordt gegeven. Eiser woont niet samen met zijn partner, maar op enkele uren afstand. Hoewel ook uit de werkinstructie [10] van de minister volgt dat samenwoning geen vereiste is, heeft de minister het feit dat eiser niet samenwoont wel mogen betrekken bij de beoordeling als aanwijzing dat slechts beperkt invulling aan de relatie wordt gegeven. Daarbij heeft de minister verder mogen betrekken dat niet is gebleken dat eiser actie heeft ondernomen om daadwerkelijk te gaan samenwonen met zijn partner. De stelling op de zitting dat de partner bij haar ouders woont en dat daar geen ruimte is voor eiser, heeft eiser niet onderbouwd. Ook de stelling dat eiser meermaals contact heeft opgenomen met het COA om te vragen om overplaatsing naar een AZC dichterbij zijn partner heeft eiser niet onderbouwd. De foto’s en verklaringen van eiser heeft de minister onvoldoende mogen vinden om te komen tot een andere uitkomst. Eiser heeft desgevraagd op zitting ook geen nader inzicht kunnen geven in de invulling die op dit moment wordt gegeven aan de relatie. Eiser heeft op zitting verklaard dat hij en zijn partner elkaar vaker zien dan voor het huwelijk en dat de band steeds hechter wordt. Maar ook dat het veel tijd en geld kost om elkaar te zien en dat eiser zijn partner daardoor minder vaak ziet. De minister heeft mogen overwegen dat niet is gebleken dat de invulling van de relatie meer dan beperkt is.
10.3
Hoewel, zoals de minister op de zitting heeft toegelicht, dat de duur van de relatie niet doorslaggevend is voor de vraag of sprake is van een duurzame en exclusieve relatie mag de minister de duur daarvan wel betrekken bij de vraag of kan worden vastgesteld dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. De rechtbank overweegt dat de minister heeft mogen stellen dat niet is gebleken dat de relatie van eiser al in Irak is begonnen. Dit blijkt, zoals de minister terecht heeft gesteld, niet uit de overgelegde foto’s. Eiser en zijn partner kennen elkaar als neef en nicht, zodat het feit dat er foto’s van hen samen in Irak zouden zijn, niet hoeft te leiden tot de vaststelling dat er ook daar al sprake is van een liefdesrelatie.
10.4
Gelet op het voorgaande heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is een duurzame en exclusieve relatie op grond waarvan familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM zou moeten worden aangenomen. De minister was dan ook niet gehouden om de belangen van de Nederlandse Staat af te wegen tegen de belangen van eiser. [11]

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Koerdische Arbeiderspartij
3.Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
4.Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Centraal Orgaan opvang Asielzoekers.
7.Asielzoekerscentrum.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:16, onder 4.1. en de uitspraak van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:379, onder 2.2.
9.B7/3.8 van de Vc.
10.Werkinstructie 2020/16, p.7.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.