ECLI:NL:RBDHA:2025:22402
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het beroep tegen de hoogte van de vergoeding voor juridische hulp en compensatie in het kader van de toeslagenaffaire
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 2 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de hoogte van de vergoeding voor juridische hulp en de weigering van de Dienst Toeslagen om compensatie toe te kennen voor de jaren 2011 tot en met 2014, 2016 en de periode van september tot en met december 2019 beoordeeld. Eiseres, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. S.V. Hendriksen, heeft in een eerder besluit van 27 december 2022 compensatie aangevraagd, die gedeeltelijk is toegewezen voor de jaren 2015, 2017, 2018 en de periode van januari tot en met augustus 2019, maar afgewezen voor de overige jaren. De rechtbank heeft op 14 oktober 2025 de zaak behandeld, waarbij eiseres en de gemachtigden van verweerder aanwezig waren.
De rechtbank overweegt dat de hersteloperatie voor gedupeerden van de toeslagenaffaire inhoudt dat ouders compensatie kunnen ontvangen voor onterecht teruggevorderde of onthouden kinderopvangtoeslag. De rechtbank concludeert dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie voor de jaren 2011 tot en met 2014 en 2016, omdat er geen sprake is van institutionele vooringenomenheid of onbillijkheden. De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de vergoeding voor juridische hulp voor het jaar 2018 correct is vastgesteld en dat eiseres geen recht heeft op extra compensatie voor het bijwonen van de hoorzitting op 11 augustus 2020.
De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit van de Dienst Toeslagen niet in strijd is met de wet en dat de procedure rondom de hoorzitting bij de bezwaarschriftenadviescommissie correct is verlopen. Eiseres krijgt geen vergoeding voor proceskosten en het beroep wordt ongegrond verklaard.