ECLI:NL:RBDHA:2025:22456

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
NL25.47371 (beroep) en NL25.47371 (voorlopige voorziening)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag op basis van ongeloofwaardige herkomst en taalanalyse

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 27 november 2025, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag behandeld. Eiser, die stelt de Somalische nationaliteit te hebben, heeft op 19 juli 2023 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 23 september 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat de herkomst van eiser niet geloofwaardig werd geacht. Eiser heeft zijn asielaanvraag onderbouwd met het verhaal dat hij door Al-Shabaab-leden is meegenomen en dat hij vreest voor zijn leven bij terugkeer naar Somalië. De rechtbank heeft op 11 november 2025 de zaak behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de verweerder en een tolk.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn herkomst. De rechtbank stelt vast dat de bewijslast voor de identiteit, nationaliteit en herkomst bij eiser ligt, en dat hij in de twee jaar dat hij in Nederland is, geen inspanningen heeft geleverd om identificerende documenten te verkrijgen. De rechtbank concludeert dat de taalanalyse en het herkomstonderzoek van de minister voldoende onderbouwing bieden voor de afwijzing van de asielaanvraag. Eiser heeft niet overtuigend aangetoond dat hij afkomstig is uit Centraal-Somalië, en zijn verklaringen zijn inconsistent met eerdere verklaringen die hij heeft afgelegd tijdens zijn gehoren.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor asielzoekers om hun herkomst en identiteit adequaat te onderbouwen, en bevestigt dat de minister op goede gronden de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond heeft kunnen afwijzen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.47370 (beroep) en NL25.47371 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken van 27 november 2025 tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en oordeelt de voorzieningenrechter over het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Eiser heeft op 19 juli 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond [1] . Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Warsame als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2007. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is meegenomen door Al-Shabaab-leden en vastgehouden op een trainingskamp. Eiser heeft het trainingskamp kunnen ontvluchten en is bij terugkeer in zijn dorp geholpen door zijn oom om weg te vluchten uit Somalië. Zijn broer en vader zijn in de tussentijd door Al-Shabaab gedood. Bij terugkeer vreest eiser gedood te worden door Al-Shabaab.
Het bestreden besluit
3. Verweerder vindt de herkomst van eiser niet geloofwaardig en heeft daarom het asielrelaas van eiser niet inhoudelijk beoordeeld. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [2] volgt namelijk dat een asielmotief alleen betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een asielzoeker en dat het asielrelaas niet verder kan worden beoordeeld wanneer deze elementen niet aannemelijk zijn gemaakt. Verweerder acht de herkomst niet geloofwaardig omdat eiser zijn herkomst niet heeft onderbouwd met documenten. Eiser had zich meer moeten inspannen om deze documenten te verkrijgen. Er is een taalanalyse afgenomen, waaruit blijkt dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Centraal-Somalië waar hij stelt vandaan te komen. Verweerder wijst de asielaanvraag van eiser af als kennelijk ongegrond omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn herkomst. [3] Ook heeft verweerder een terugkeerbesluit gericht op Somalië opgelegd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar ingesteld.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor waarom hij een Noord-Somalisch dialect spreekt. Eiser heeft in de zienswijze naar voren gebracht dat hij is opgevoed door zijn oma en moeder, die afkomstig zijn uit Noord-Somalië. Ook kwam eiser niet veel buiten en had hij niet veel interacties met anderen, waardoor hij geen ander dialect dan het Noord-Somalisch heeft geleerd. Gelet hierop heeft verweerder ten onrechte de herkomst van eiser ongeloofwaardig geacht en heeft verweerder de gestelde problemen met Al Shabaab ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld. Van kennelijk ongegrondheid kan dan ook geen sprake zijn. Verweerder kon om die reden geen terugkeerbesluit en inreisverbod opleggen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser zich onvoldoende heeft ingespannen om zijn herkomst te onderbouwen met documenten. De bewijslast om de identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken, ligt in eerste instantie bij eiser. Eiser is al ruim twee jaar in Nederland en heeft in die tijd geen inspanning geleverd om identificerende documenten te verkrijgen, terwijl verweerder heeft aangegeven dat het van belang is dat eiser dit doet.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder op basis van het herkomstonderzoek en de taalanalyse niet tot een andere conclusie hoefde te komen wat betreft de herkomst van eiser. Op verweerder rust de plicht om te motiveren waarom de resultaten van het herkomstonderzoek niet bijdragen aan de onderbouwing van de herkomst van eiser. Verweerder heeft aan deze plicht voldaan door te verwijzen naar het rapport taalanalyse. Uit deze analyse blijkt dat het taalgebruik van eiser eenduidig niet te herleiden is tot Centraal-Somalië, maar tot Noord-Somalië. Zo gebruikt eiser andere woorden en zinsopbouw en heeft hij een andere uitspraak dan gebruikelijk is in Centraal-Somalië. De verklaringen die eiser hiervoor geeft, te weten dat hij is opgevoed door zijn moeder en oma – die afkomstig zijn uit Noord-Somalië – en hij bijna niet naar buiten mocht, overtuigen niet, alleen al omdat dit niet overeenkomt met hetgeen hij in zijn verhoren heeft verklaard. Zo heeft eiser in zijn nader gehoor verklaard over de bezoeken aan de moskee en de bijeenkomsten na afloop van het gebed [4] , over buiten spelen met zijn voetbalvrienden [5] en dat hij werd juist opgemerkt als actief kind door een buurman [6] . Ook heeft eiser in zijn gehoren niet verklaard dat hij is opgevoed door zijn oma, laat staan dat zijn oma bij hen in huis woonde. Bovendien heeft hij verklaard dat zijn moeder – net als eiser - is geboren in de regio Hiraan [7] en dus niet uit Noord-Somalië komt. Eisers beroep op de uitspraak van de zittingsplaats Arnhem [8] kan niet leiden tot een ander oordeel, nu in die zaak sprake was van geheel andere omstandigheden. Zoals gezegd wijken de verklaringen van eiser afgelegd tijdens zijn gehoren geheel afwijken van hetgeen hij aanvoert om de taalanalyse te weerleggen. Eiser heeft nagelaten een contra-expertise te laten uitvoeren.
8. Verweerder heeft gelet op het bovenstaande niet ten onrechte geoordeeld dat de door eiser gestelde herkomst ongeloofwaardig is. Omdat een asielmotief volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter slechts betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling, [9] hoefde verweerder geen inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas uit te voeren. Dit betekent dat verweerder in de asielgronden van eiser ook geen reden heeft hoeven zien om asiel te verlenen aan eiser.
9. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser hem heeft misleid over zijn herkomst en de aanvraag daarom met toepassing van het bepaalde in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, kennelijk ongegrond heeft mogen verklaren.
10. Nu uit hetgeen in het voorgaande is overwogen, volgt dat verweerder de aanvraag van eiser op goede gronden kennelijk ongegrond heeft verklaard, is er geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Verweerder was eveneens gehouden om een inreisverbod tegen eiser uit te vaardigen met toepassing van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, nu aan eiser op goede gronden een vertrektermijn is onthouden.

Conclusie en gevolgen

11. Verweerder heeft de aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft.
12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid en artikel 30b, eerste lid, onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
3.Zie artikel 30b, eerste lid, onder c van de Vw.
4.Verslag nader gehoor, p. 5, 8, 13 en 16.
5.Verslag nader gehoor, p. 8.
6.Verslag nader gehoor, p. 16.
7.Verslag aanmeldgehoor, p. 5.
8.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem van 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20503.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:292.