ECLI:NL:RBDHA:2025:22510

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL25.55314 en NL25.55316
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 18 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-inbehandelingname asielaanvragen op grond van Dublinverordening en medische omstandigheden

Eisers, een gezin met de Russische nationaliteit, dienden asielaanvragen in Nederland in, maar deze werden niet in behandeling genomen omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor hun verzoeken om internationale bescherming. Verweerder verzocht eerst Duitsland om terugname, wat werd afgewezen omdat Kroatië verantwoordelijk is, waarna Kroatië het verzoek accepteerde.

Eisers voerden aan dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening vanwege de ernstige medische toestand van eiseres, die kanker heeft en in Nederland behandeld wordt. Zij verwezen naar het C.K.-arrest en stelden dat overdracht een reëel risico op ernstige gezondheidsschade oplevert, en verzochten om aanhouding van de behandeling in afwachting van prejudiciële vragen.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt tussen Nederland en Kroatië, en eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat Kroatië haar verdragsverplichtingen niet zal nakomen of dat sprake is van ernstige tekortkomingen in het Kroatische asielsysteem. Ook is niet gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die overdracht onevenredig maken. De medische documenten tonen geen reëel risico op aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand.

Daarom is de beslissing van verweerder om de asielaanvragen niet in behandeling te nemen terecht en is het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Kroatië verantwoordelijk is voor de asielaanvragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.55314 en NL25.55316

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [V-nummer 1], eiser,

[eiseres], v-nummer: [V-nummer 2], eiseres,
mede ten behoeve van hun minderjarige kind:
[kind], v-nummer: [V-nummer 3],
Hierna gezamenlijk te noemen eisers,
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij twee afzonderlijke besluiten van 10 november 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eisers hebben tegen de bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eisers zijn geboren op [datum 1] 1967 respectievelijk [datum 2] 1966 en [datum 3] 2009, en hebben allen de Russische nationaliteit.
2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening [3] verantwoordelijk is voor de behandeling van hun verzoeken om internationale bescherming. Uit Eurodac en het overgelegde Duitse verblijfsdocument is gebleken dat eisers in Duitsland een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening de Duitse autoriteiten verzocht om eisers terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben het verzoek afgewezen, omdat de Kroatische autoriteiten verantwoordelijk zijn. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening de Kroatische autoriteiten verzocht om eisers terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben de verzoeken op 19 augustus 2025 voor eiseres en haar minderjarige kind geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Het verzoek van eiser is op 2 september 2025 geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
3. Eisers kunnen zich niet met de bestreden besluiten verenigen en voeren daartoe aan dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Zij wijzen in het bijzonder op de ernstige medische omstandigheden van eiseres, die kankerpatiënt is en in Nederland wordt behandeld. Onder verwijzing naar het C.K.-arrest [4] menen zij dat artikel 4 van Pro het Handvest [5] niet alleen ziet op systeemfouten in de verantwoordelijke lidstaat, maar ook is geschonden als een ernstig zieke vreemdeling door de overdracht een reëel risico loopt op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand. Verweerder had iedere ernstige twijfel over de gevolgen van de overdracht voor de gezondheid van eiseres moeten wegnemen door een BMA-advies [6] in te winnen. In dit verband wijzen eisers op de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 22 oktober 2025, [7] waarin prejudiciële vragen zijn gesteld over de uitleg van onder meer artikel 4 en Pro 47 van het Handvest en artikel 27 van Pro de Dublinverordening in situaties waarin de gezondheidstoestand van de over te dragen vreemdeling in het geding is. Zij stellen dat de antwoorden van het Hof op deze vragen ook voor hen van betekenis zijn en verzoeken daarom de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting daarvan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Kroatië, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM [8] en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling [9] van 10 december 2024 [10] en 20 augustus 2025. [11] Het ligt op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat in hun geval hier niet van kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers er niet in zijn geslaagd aannemelijk te maken dat de Kroatische autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hen niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Ook is niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen.
5. Verder heeft verweerder in de door eisers gestelde omstandigheden evenmin reden hoeven zien om de verantwoordelijkheid aan zich te trekken. Het betreft geen bijzondere individuele omstandigheid die maakt dat overdracht aan Kroatië onevenredig moet worden geacht. Kroatië is immers gebonden aan de Opvangrichtlijn, [12] waarin is vastgesteld dat asielzoekers in aanmerking komen voor medische noodzakelijke zorg. Eisers hebben geen aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit blijkt dat dit in hun geval anders is. Eiseres heeft daarbij niet onderbouwd dat zij voor medische behandeling aan Nederland is gebonden dan wel dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiseres. Dit klemt te meer nu eiseres in haar aanmeldgehoor heeft verklaard dat de medische hulp die zij in Kroatië heeft ontvangen goed verliep. [13] Uit de door eisers overgelegde medische documenten blijkt niet dat overdracht van eiseres leidt tot een aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen van haar gezondheidstoestand. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 november 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Advies van het Bureau Medische Advisering van verweerder.
8.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
9.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
12.Richtlijn 2013/33/EU.
13.Aanmeldgehoor Dublin, eiseres, pagina 2.