ECLI:NL:RBDHA:2025:22522

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL25.56047
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortduren van de maatregel van bewaring in het bestuursrecht; geen verzwaarde belangenafweging vereist

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 26 november 2025, wordt de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan de eiser heeft opgelegd, beoordeeld. Eiser is het niet eens met het voortduren van deze maatregel en heeft beroep ingesteld. De rechtbank onderzoekt of de maatregel rechtmatig is en of de minister een verzwaarde belangenafweging had moeten maken. De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en dat de minister niet verplicht was om een verzwaarde belangenafweging te maken, aangezien eiser nog niet de maximale termijn van zes maanden in bewaring heeft doorgebracht. De rechtbank wijst het beroep van eiser ongegrond en bevestigt dat de maatregel van bewaring in stand blijft. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56047

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een beroepsgrond aan. Mede aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank of de maatregel van bewaring mag voortduren.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de maatregel van bewaring mag blijven voortduren. De minister was niet gehouden om in het geval van eiser een verzwaarde belangenafweging te maken en de rechtbank ziet verder ook ambtshalve geen reden voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf overweging 3. Aan het einde staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. De minister heeft op 15 september 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd. [1]
2.1.
Na het opleggen van deze maatregel heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank heeft op dit beroep beslist met haar uitspraak van 14 oktober 2025. [2]
2.2.
Eiser heeft op 15 november 2025 een vervolgberoep ingesteld. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 20 november 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op een zitting zal worden behandeld. [3]

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij de afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [4]
3.1.
Uit de uitspraak van 14 oktober 2025 volgt dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 7 oktober 2025) rechtmatig is.
Had de minister een verzwaarde belangenafweging moeten maken?
4. Eiser betoogt dat de minister in zijn geval een verzwaarde belangenafweging [5] had moeten maken. De minister moet deze maken als een vreemdeling zes maanden in bewaring verblijft. Eiser heeft op grond van het terugkeerbesluit van 1 mei 2023 in bewaring gezeten van 29 oktober 2024 tot 10 april 2024 (voor de duur van 164 dagen) en zit nu weer op grond van datzelfde terugkeerbesluit in bewaring. Voor de vraag of de maximumduur van zes maanden voor de bewaring [6] is bereikt, moeten alle perioden van bewaring op grond van hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar worden opgeteld. De minister heeft de procedure ter verkrijging van een laissez-passer bij de Algerijnse autoriteiten namelijk niet tussentijds gestaakt. [7] Dat betekent dat eiser op 1 oktober 2025 zes maanden in bewaring bleef en de bewaring vanaf die datum onrechtmatig is.
4.1.
Dit betoog slaagt niet. Nog daargelaten dat de rechtbank de maatregel van bewaring tot en met 7 oktober 2025 rechtmatig heeft bevonden, [8] ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat de minister gehouden was om uiterlijk op 1 oktober 2025 een verzwaarde belangenafweging te maken. In de eerste plaats volgt de verplichting tot het maken van een verzwaarde belangenafweging na zes maanden niet uit de Terugkeerrichtlijn, maar (slechts) uit de Vc 2000. Bovendien, en voor zover bij de berekening van de zes maanden uit de Vc 2000 moet worden aangesloten bij artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn, maakt het enkele feit dat een conclusie door een advocaat-generaal is genomen nog niet dat deze bepaling ook op de daarin beschreven manier moet worden uitgelegd. Het valt immers niet uit te sluiten dat het Hof van Justitie tot een ander oordeel zal komen of de conclusie in zijn oordeel zal nuanceren. [9] De rechtbank gaat er daarom vooralsnog uit dat de minister pas gehouden is een verzwaarde belangenafweging te maken na een periode van zes maanden ononderbroken bewaring. Dat is in het geval van eiser nog niet aan de orde.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor het voortduren van deze maatregel niet (langer) werd voldaan. [10]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Deze maatregel is gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18925.
3.Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
4.Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
5.Zoals bedoeld in paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
6.Zoals bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn.
7.Eiser wijst in dit verband op de conclusie van advocaat-generaal Medina bij het HvJEU van 4 september 2025, C-150/24, ECLI:EU:C:2025:667.
8.Zie Rb. Den Haag (zp Arnhem) 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18925.
9.Vergelijk Rb. Den Haag (zp Roermond) 30 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19983, r.o. 27.
10.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (