ECLI:NL:RBDHA:2025:18925

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
15 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.47185
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 onder a Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewaring en zicht op uitzetting naar Algerije in vreemdelingenrechtelijke zaak

In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hem in bewaring te stellen op grond van artikel 59 lid 1 onder Pro a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.

De rechtbank stelt vast dat de eerdere bewaring van eiser was opgeheven op basis van een belangenafweging, waarbij het ontbreken van zicht op uitzetting niet doorslaggevend was. De aanvraag voor een laissez-passer loopt nog steeds en de minister heeft maandelijks contact gezocht met de Algerijnse autoriteiten zonder reactie. Eiser heeft onvoldoende medewerking verleend aan zijn uitzetting, onder meer door te weigeren een brief aan de ambassade te schrijven.

De rechtbank concludeert dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt en dat de minister de bewaring terecht heeft opgelegd. Ook de belangenafweging valt niet in het voordeel van eiser uit, mede vanwege het onttrekkingsrisico en de herhaalde asielaanvraag die is afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47185

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 15 september 2025, waarin de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een beeldverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister eiser in bewaring mocht stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. De minister heeft terecht de maatregel van bewaring opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Ontbreekt het zicht op uitzetting en moet een belangenafweging in het voordeel van eiser uitvallen?
4. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is dan wel dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Eiser is eerder, op verschillende gronden, in bewaring gesteld. Dit heeft geduurd van 22 oktober 2024 tot aan 10 april 2025 toen de bewaring is opgeheven op grond van een belangenafweging. De aanvraag voor een laissez-passer is gedaan op 30 oktober 2024. Sindsdien heeft de minister maandelijks schriftelijk gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, ook nadat de eerdere bewaring was opgeheven en tijdens de behandeling van de herhaalde asielaanvraag van eiser. Al die tijd is er geen reactie gekomen van de Algerijnse autoriteiten. Er heeft zich dus sinds 10 april 2025 geen relevante wijziging voorgedaan die een hernieuwde vrijheidsbeneming rechtvaardigt. Dat betekent dat ook nu eisers belangen zwaarder wegen dan die van de minister.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de eerdere bewaringsmaatregelen niet zijn opgeheven vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De laatste maatregel is opgeheven op grond van een belangenafweging. Uit het voortgangsrapport van 11 april 2025 en de door de minister ter zitting gegeven toelichting blijkt dat ook bij die belangenafweging niet is betrokken dat er op dat moment geen concreet zicht op uitzetting van eiser bestond. Dat betekent dat niet beoordeeld hoeft te worden of ten tijde van het opleggen van de onderhavige maatregel sprake is van aanknopingspunten die leiden tot het oordeel dat, anders dan ten tijde van de opheffing van de eerdere bewaring, zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. [1] Het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt ook in het algemeen niet. [2] Dat het eerder en nu nog niet gelukt is om eiser uit te zetten is onvoldoende voor de conclusie dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het individuele geval van eiser ontbreekt. Daarvoor is van belang dat de aanvraag om een laissez-passer nog steeds loopt en dat op eiser de verplichting rust om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan zijn uitzetting. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiser deze medewerking onvoldoende heeft verleend. Zo heeft eiser in een vertrekgesprek van 27 augustus 2025 te kennen gegeven niet te willen meewerken aan het schrijven van een brief aan de ambassade om een reisdocument te verkrijgen. De grond dat er geen zicht op uitzetting is, slaagt daarom niet.
4.2.
Er bestaat ook geen grond om te oordelen dat de minister bij de oplegging van de onderhavige bewaring niet in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het algemeen belang bij inbewaringstelling dan aan het belang van eiser bij invrijheidstelling. In het kader van de belangenafweging moeten alle relevante omstandigheden, waaronder ook de duur van de eerdere bewaring in een recent verleden en de periode gedurende welke eiser sinds de opheffing van die bewaring in vrijheid is geweest, te worden betrokken. [3] In het onderhavige geval is voor de belangenafweging daarnaast relevant dat de aan de bewaring ten grondslag gelegde gronden - waaruit het onttrekkingsrisico volgt - niet zijn bestreden en dat eiser na de opheffing van de vorige bewaring wederom een asielaanvraag heeft ingediend die is afgewezen en niet heeft meegewerkt aan het schrijven van de hiervoor genoemde brief. Ook ter zitting is niet gebleken van een bereidheid aan medewerking aan zijn uitzetting naar Algerije nu eiser op de vraag naar welk land hij wil gaan als hij de kans krijgt om te vertrekken, heeft geantwoord dat hij wel ziet waar hij naartoe kan gaan. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is en de minister geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten van eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS van 16 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD8560.
2.ABRvS van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ABRvS van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
3.ABRvS van 14 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG5078.
4.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.