ECLI:NL:RBDHA:2025:22524

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL25.33530
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een Ethiopische Tigrinya-burger met vrees voor vervolging en rekrutering

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, een Ethiopische burger van de Tigrinya-bevolkingsgroep, die vreesde voor vervolging en rekrutering bij terugkeer naar Ethiopië. Eiser had op 6 juli 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 17 juli 2025 werd afgewezen. De rechtbank heeft de zaak op 27 augustus 2025 behandeld. Eiser voerde aan dat hij vanwege zijn etniciteit en politieke activiteiten in Ethiopië gevaar loopt. Hij heeft verklaard dat hij in het verleden is gearresteerd en gedetineerd vanwege zijn etniciteit en dat hij vreesde voor rekrutering door de autoriteiten. De rechtbank oordeelde dat de minister de afwijzing van de asielaanvraag deugdelijk had gemotiveerd. De rechtbank concludeerde dat de minister terecht had vastgesteld dat de verklaringen van eiser over zijn ontsnapping uit de gevangenis ongeloofwaardig waren en dat er onvoldoende bewijs was dat eiser bij terugkeer een reëel risico op vervolging of ernstige schade zou lopen. De rechtbank volgde de minister in zijn standpunt dat de situatie voor Tigreeërs in Ethiopië niet zodanig is dat eiser een reëel risico loopt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat betekent dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning op grond van traumabeleid of andere gronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33530

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R. de Groot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 6 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van
17 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Ethiopische nationaliteit, is geboren op [geboortedatum] 2000 in [naam plaats] , [naam dorp] en behoort tot de Tigrinya-bevolkingsgroep. Hij legt het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag. Eiser ondervindt vanwege zijn etniciteit problemen met de Ethiopische autoriteiten. Hij heeft verklaard dat soldaten zijn ouderlijk huis binnen zijn gekomen en zijn broer, die een strijder van het Tigrese leger was, hebben doodgeschoten en eiser hebben mishandeld. Omdat soldaten huiszoekingen hielden en hun identiteit controleerden, is hij gevlucht naar een vriend in Addis Abeba. Na een maand verblijf vond er in april/mei 2020 ook daar een huiszoeking plaats en is eiser op vertoning van zijn identiteitskaart meegenomen door de soldaten en in de gevangenis geplaatst omdat hij (vals) beschuldigd werd van spionage voor de Tigray People’s Liberation Front (TPLF). Hij heeft zes maanden, van juni/juli 2021 tot en met november/december, in detentie gezeten in Kebele en in de Abu Samuel gevangenis. Eiser stelt dat hij na een half jaar samen met andere gevangenen door omkoping van de politie en een bewaker uit deze gevangenis is ontsnapt en vervolgens met behulp van een mensensmokkelaar naar Nederland is gereisd. Bij terugkeer vreest eiser dat hij opgepakt wordt door de Ethiopische autoriteiten of de TPLF, omdat hij niet in het leger heeft gediend en niet heeft meegestreden tijdens de oorlog en gezien wordt als een verrader.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen in Ethiopië vanwege etniciteit en de wijze van ontsnapping uit de Abu Samuel gevangenis;
Politieke overtuiging.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat asielmotief 1 en 3 geloofwaardig zijn en asielmotief 2 deels geloofwaardig is. De verklaringen van eiser over zijn problemen in Ethiopië vanwege zijn etniciteit, meer specifiek de inval in zijn woning, zijn daaropvolgende vlucht naar Addis Abeba, zijn arrestatie en detentie, worden door de minister geloofwaardig geacht. Eisers verklaringen over de wijze van ontsnapping uit de gevangenis vormen daarentegen geen samenhangend en aannemelijk geheel en zijn daarom volgens de minister ongeloofwaardig. Uit de geloofwaardig geachte asielmotieven volgt niet dat eiser kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag, noch dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij is in aanmerking genomen dat de veiligheidssituatie voor Tigreeërs sinds het ondertekenen van de staakt-het-vuren-overeenkomst van 2 november 2022 is verbeterd, hetgeen ook bevestigd wordt in het meest recente algemeen ambtsbericht van januari 2024. Eiser dient daarom met concrete en individuele omstandigheden aannemelijk te maken dat hij persoonlijk gevaar loopt. Volgens de minister is eiser daarin niet geslaagd. Om die reden is de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister de wijze van ontsnapping uit de Abu Samuel gevangenis ongeloofwaardig kunnen achten?
5. Eiser heeft niet betwist dat hij zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten. De minister heeft daarom, aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000, beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser voert aan dat de wijze van ontsnapping uit de Abu Samuel gevangenis ten onrechte ongeloofwaardig is geacht. Volgens eiser kan uit het besluit niet worden afgeleid waarom het onaannemelijk zou zijn dat een ontsnapping mogelijk is door omkoping van een bewaker en een politieagent. Als de minister meent dat dit niet aannemelijk is, had hij dit moeten onderbouwen met concrete informatie, bijvoorbeeld waaruit blijkt dat dergelijke ontsnappingen in deze gevangenis niet voorkomen. Nu de minister dat heeft nagelaten, ontbreekt volgens eiser in het besluit een draagkrachtige motivering. Ook het standpunt dat het ongeloofwaardig is dat zijn medegevangenen hem bij hun ontsnappingsplan zouden hebben betrokken, is volgens eiser onjuist. Hij heeft immers verklaard dat deze gevangenen hem niet beter of slechter kenden dan de andere mensen in de cel, en dat zij hem, toen hij bemerkte dat zij met een ontsnappingsplan bezig waren, hierover hebben verteld. Vervolgens heeft eiser besloten zich bij de ontsnapping aan te sluiten. Niet valt in te zien waarom dit onaannemelijk zou zijn. Daarnaast voert eiser aan dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet exact kan aangeven met hoeveel personen hij is ontsnapt. Eiser heeft verklaard dat hij denkt dat dit vier of vijf personen waren en dat hij er na de ontsnapping nog twee is tegengekomen. Dat hij geen exact aantal kan noemen, acht hij verklaarbaar omdat de ontsnapping een zeer stressvolle en chaotische gebeurtenis was, waarbij hij vooral gericht was op zijn eigen veiligheid en niet op het tellen van het aantal deelnemers. Eiser wijst erop dat de minister ten onrechte stelt dat hij het ontsnappingsplan vooraf met andere gevangenen zou hebben besproken. Eiser heeft enkel verklaard dat hij van medegevangenen heeft gehoord dat er een plan bestond, maar hij heeft nooit gezegd dat hij actief aan de voorbereiding daarvan heeft deelgenomen. De minister schetst daarmee een onjuiste voorstelling van zaken. Volgens eiser is niet duidelijk welke relevantie de ongeloofwaardig geachte ontsnapping heeft, nu het zwaartepunt van zijn relaas juist ligt bij de vrees voor rekrutering en arrestatie vanwege zijn etniciteit.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over de ontsnapping uit de Abu Samuel gevangenis geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Daarbij neemt de minister terecht in aanmerking dat eiser heeft verklaard dat hij met behulp van omkoping van slechts één bewaker en één politieagent zou zijn ontsnapt uit een zwaar beveiligde gevangenis. Een dergelijk scenario heeft de minister onaannemelijk kunnen achten, omdat een ontsnapping uit een high of maximum security gevangenis een groot risico met zich brengt en een zorgvuldige voorbereiding vereist. Ook heeft de minister niet ten onrechte in twijfel getrokken dat medegevangenen, die eiser niet of nauwelijks kende, hem zonder enige aanleiding of bijdrage bij hun plan zouden hebben betrokken. Daarnaast heeft de minister niet ten onrechte in aanmerking genomen dat eiser wisselend en vaag heeft verklaard over het aantal personen met wie hij is ontsnapt. Van eiser mag, juist gelet op de door hem gestelde ernst van de situatie, worden verwacht dat hij hierover duidelijkheid kan verschaffen. Ten slotte volgt de rechtbank de minister in zijn standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over de vraag of hij voorafgaand aan de ontsnapping betrokken was bij de plannen van zijn medegevangenen. De door eiser gegeven nadere uitleg ter zitting kan die inconsistentie niet wegnemen. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000 en mocht daarom de verklaringen van eiser over de ontsnapping ongeloofwaardig achten. Dat de ontsnapping volgens eiser niet de kern van zijn relaas vormt, doet daaraan niet af, nu dit onderdeel wel degelijk relevant is voor de beoordeling van de samenhang en geloofwaardigheid van het geheel. [1] Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser bij terugkeer te vrezen voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade?
Vrees vanwege etniciteit
6. Eiser betoogt dat ten onrechte is geoordeeld dat hij niet te vrezen heeft vanwege zijn etniciteit. Volgens eiser is de situatie voor Tigreeërs in Ethiopië niet wezenlijk verbeterd sinds de ondertekening van de staakt-het-vuren-overeenkomst. Eiser verwijst daartoe naar landeninformatie die hij in de zienswijze heeft overgelegd. [2] Uit deze informatie volgt volgens eiser dat Tigreeërs nog steeds te maken hebben met willekeurige arrestaties, detenties, verdwijningen, etnisch gemotiveerd geweld en gedwongen ontheemding. Daarbij wijst eiser erop dat de staakt-het-vuren-overeenkomst niet is nagekomen, aangezien beloofde verkiezingen en de terugkeer van ontheemden uitblijven, en de spanningen tussen Ethiopië en Eritrea juist zijn toegenomen. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat de door de minister gehanteerde landeninformatie, waaronder het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië 2024, gelet op deze artikelen en ontwikkelingen verouderd is. Er vinden nog steeds arbitraire arrestaties plaats van jongeren. Eiser wijst erop dat de minister geloofwaardig acht dat eiser in het verleden is gearresteerd en gedetineerd vanwege zijn etniciteit. Dat vormt volgens eiser op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000 een duidelijke aanwijzing dat hij bij terugkeer opnieuw gevaar loopt. Dat de verbetering van de situatie in Tigray niet zo evident is blijkt volgens eiser ook uit dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in een andere zaak aan de minister vragen over de veiligheidssituatie in Tigray heeft gesteld. Daarmee staat volgens eiser niet vast dat Tigreeërs geen risico meer lopen vanwege hun etniciteit. Nu er actuele aanwijzingen zijn voor aanhoudende risico’s, had de minister nader moeten motiveren waarom desondanks geen reëel risico bestaat.
6.1.
Uit artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000 volgt dat het feit dat de vreemdeling in het verleden al is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. De bewijslast om aan te nemen dat die vervolging of die schending van artikel 3 van het EVRM zich niet opnieuw zal voordoen ligt in dat geval bij de minister. Het is aan de minister om te motiveren dat het niet aannemelijk is dat de vreemdeling opnieuw het slachtoffer zal worden van een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op goede gronden en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er voldoende redenen zijn om aan te nemen dat deze dat de problemen vanwege zijn etniciteit als Tigreeër bij terugkeer naar Ethiopië een zich niet opnieuw zullen voordoen en eiser geen reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Uit de landeninformatie die eiser heeft overgelegd, volgt weliswaar dat er spanningen bestaan en incidenten plaatsvinden, maar dit leidt niet tot het oordeel dat de algemene situatie zodanig is dat eiser vanwege zijn etniciteit gevaar loopt. Dat de Afdeling in een andere zaak vragen heeft gesteld aan de minister over de veiligheidssituatie in Tigray [3] , betekent ook niet dat de rechtbank thans niet kan uitgaan van de informatie die op dit moment voorhanden is. Zoals de minister terecht heeft aangevoerd, is de beoordeling van de aanvraag gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van 2024 en actuele aanvullende informatie die al in de beantwoording van de vragen van de Afdeling is betrokken. Verder heeft eiser, ook tijdens de zitting, niet met concrete en verifieerbare aanwijzingen onderbouwd dat juist hij persoonlijk risico loopt vanwege zijn etniciteit. De minister heeft er daarbij op gewezen dat zich eerdere problemen hebben voorgedaan in Addis Abeba, maar dat eiser zich kan vestigen in Tigray en zich zo aan vervolging of ernstige schade kan onttrekken. Uit eisers verklaringen volgt bovendien ook niet dat hij nog gezocht wordt door de Ethiopische autoriteiten. De verwijzing naar recente arrestaties van Tigray-jongeren in Addis Abeba maakt dit niet anders, omdat dit ziet op afzonderlijke incidenten aldaar en niet op een structureel patroon dat iedere Tigreeër treft. De rechtbank volgt de minister daarom in diens standpunt dat eiser zijn vrees verder had moeten individualiseren, maar dit niet heeft gedaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Vrees voor rekrutering
7. Eiser betoogt dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte heeft gesteld dat eiser geen risico loopt op gedwongen rekrutering. Hij wijst erop dat uit een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 29 april 2025 blijkt dat de Ethiopian Human Rights Commission (EHRC) rapporteert dat tieners willekeurig worden opgepakt, illegaal worden vastgehouden in detentiecentra en onder druk worden gezet om zich aan te sluiten bij het nationale leger (ENDF). [4] In sommige gevallen zouden families gedwongen worden losgeld te betalen voor de vrijlating van de gearresteerden. Ook wordt verwezen naar een rapport van het Asylum Research Centre, [5] waarin melding wordt gemaakt van massale rekrutering van jongeren in het leger, die ook na de staakt-het-vuren-overeenkomst in mindere mate is voortgezet. Eiser heeft tijdens de zitting nader toegelicht dat de situatie in [naam dorp] , zijn dorp van herkomst, onvoldoende is betrokken in de beoordeling en dat juist daar sprake is van druk en dreiging met rekrutering. Hij heeft benadrukt dat bij hem in het verleden al autoriteiten aan de deur zijn geweest, wat volgens hem aantoont dat hij persoonlijk in beeld is. Daarmee bestrijdt hij het standpunt van de minister dat rekrutering thans niet meer voorkomt. Ook heeft eiser erop gewezen dat het ambtsbericht van 2024 waarop de minister zich baseert niet actueel genoeg is om dit risico te ontkrachten, en bovendien niet duidelijk maakt of het gaat om rekrutering door het Ethiopische leger of door Tigray/Eritrese autoriteiten. Tot slot heeft eiser tijdens de zitting verwezen naar de uitspraak van deze zittingsplaats van de rechtbank van 1 november 2024, waarin werd geoordeeld dat ook jonge Tigrese vrouwen risico lopen op gedwongen rekrutering. [6] Volgens eiser maakt juist zijn leeftijd (25 jaar) hem extra kwetsbaar voor rekrutering.
7.1.
Uit de door eiser ingebrachte informatie blijkt niet dat Tigreeërs systematisch worden vervolgd of dat hij persoonlijk een concreet risico loopt op gedwongen rekrutering. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit het algemeen ambtsbericht van 2024 geen berichten naar voren komen van gedwongen rekrutering en heeft zich daarmee deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voldoende bronnen beschikbaar zijn om deze conclusie te ondersteunen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de informatie in het ambtsbericht onjuist zou zijn. De door eiser aangehaalde algemene landeninformatie en artikelen betreffen verder de situatie van Tigreeërs in het algemeen en niet zijn persoonlijke omstandigheden. Daarmee is onvoldoende onderbouwd waarom juist hij een concreet persoonlijk risico op ernstige schade of gedwongen rekrutering zou lopen. De door eiser genoemde artikelen beslaan bovendien grotendeels dezelfde periode als het algemeen ambtsbericht van 2024 en het landenbeleid Ethiopië. Daarnaast heeft de minister terecht opgemerkt dat de vrees voor rekrutering in de individuele situatie van eiser niet concreet is onderbouwd. Eiser heeft niet kunnen aantonen dat autoriteiten bij hem, vrienden of familie zijn langsgekomen om te informeren naar zijn beschikbaarheid voor rekrutering. Ook uit het feit dat er in het verleden autoriteiten bij hem zijn langs geweest volgt dit niet. Dit betrof namelijk een arrestatie vanwege zijn etniciteit en niet een rekrutering. Het enkele feit dat uit algemene informatie blijkt dat gedwongen rekrutering voorkomt, biedt geen voldoende grond voor een concreet persoonlijk risico. Voor zover eiser stelt dat hij een verhoogd risico loopt op rekrutering door Eritrese autoriteiten, heeft hij dit evenmin aannemelijk gemaakt. De door hem aangehaalde bronnen zien primair op de situatie van tieners, terwijl eiser inmiddels 25 jaar oud is. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat hieruit niet blijkt dat eiser persoonlijk risico loopt op rekrutering. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Vrees vanwege politieke activiteiten
8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij geen risico loopt vanwege zijn politieke activiteiten. Hij stelt dat hij zich in Nederland uitspreekt over politici, via sociale media onder een pseudoniem, maar dat zijn account eenvoudig tot hem te herleiden is omdat hij zijn eigen profielfoto gebruikt. Volgens eiser heeft de minister zijn toetsingskader onjuist toegepast door alleen te kijken naar activiteiten in Nederland, terwijl het risico juist ligt bij voortzetting van deze activiteiten in Ethiopië. Eiser heeft verder gewezen op nieuwe wetgeving in Ethiopië die kritiek op de regering verbiedt en toezicht op mobiele telefoons mogelijk maakt. [7]
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze activiteiten niet maken dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Ethiopische autoriteiten. Eiser heeft niet concreet gemaakt welke wetgeving van toepassing zou zijn en welke specifieke gevolgen dit voor hem zou hebben. Evenmin is duidelijk geworden welke informatie over telefooncontrole of toezicht relevant zou zijn voor zijn persoonlijke situatie. Ook is niet aannemelijk geworden dat eiser als individu daadwerkelijk doelwit zou zijn van de Ethiopische autoriteiten, mede omdat hij geen journalist is en geen lid of sympathisant van een politieke partij. Dat telefooncontrole mogelijk is, maakt onvoldoende aannemelijk dat eiser bij voortzetting van zijn politieke activiteiten in Ethiopië persoonlijk risico loopt. De minister heeft daarbij terecht van belang geacht dat de Ethiopische overheid slechts een beperkte capaciteit heeft om opposanten in het buitenland te monitoren. De rechtbank acht het betoog van eiser dat hij zijn politieke activiteiten in Ethiopië niet zou kunnen voortzetten onvoldoende concreet onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser te vrezen voor willekeurig geweld?
9. Eiser voert verder aan dat de minister zijn vrees voor ernstige schade bij terugkeer naar Ethiopië als gevolg van willekeurig geweld ten onrechte onvoldoende zwaarwegend heeft geacht. De redenering van de minister, dat de situatie voor Tigreeërs na de staakt-het-vuren-overeenkomst van november 2022 is verbeterd, miskent bovendien dat het conflict in Tigray allerminst is opgelost. Eiser wijst op recente bronnen, waaronder een briefing van het Duitse BAMF van maart 2025 [8] , een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 29 april 2025 en verschillende artikelen [9] , waaruit blijkt dat de spanningen in Tigray opnieuw zijn opgelopen en dat gewapende groepen wederom actief zijn. Daarbij komt dat eisers herkomstgebied [naam dorp] inmiddels onder controle staat van een van de strijdende TPLF-fracties, hetgeen de persoonlijke risico’s voor eiser verder vergroot. Ook voert eiser aan dat de minister ten onrechte geen betekenis hecht aan de situatie in Addis Abeba. Om naar Tigray terug te keren moet eiser via Addis Abeba reizen, en bovendien blijft hij als Ethiopisch staatsburger ook dáár aan risico’s blootgesteld.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet met informatie uit objectieve bronnen aannemelijk heeft gemaakt dat op dit moment in Ethiopië sprake is van een situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict van dien aard is dat een burger die wordt teruggestuurd naar dat land louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. Eiser heeft op zitting niet kunnen toelichten waarom de aangehaalde landeninformatie een ander licht zou werpen op de situatie dan al in eerdere uitspraken door de rechtbank is beoordeeld. De rechtbank verwijst daarbij naar haar uitspraak van 17 juni 2025 en naar haar uitspraak van 9 september 2025 waarin is geoordeeld dat in Tigray geen sprake is van een situatie waarin burgers louter door aanwezigheid een reëel risico lopen op ernstige schade. [10] De rechtbank stelt vast dat de minister voldoende actuele informatie heeft meegenomen om te beoordelen dat concrete individuele risico’s voor eiser niet aannemelijk zijn. De gestelde situatie in eisers herkomstgebied, verandert dit oordeel niet, omdat eiser dit niet heeft onderbouwd en ook daar geen aanwijzingen bestaan dat eiser specifiek gevaar loopt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Komt eiser in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van traumabeleid?
9.2.
Eiser betoogt in beroep dat hij op grond van traumabeleid in aanmerking had moeten komen voor een verblijfsvergunning, omdat hij getuige is geweest van de gewelddadige dood van zijn broer. Hij stelt dat deze gebeurtenis mede aanleiding was om Ethiopië te verlaten. Eiser stelt in beroep dat deze traumatische gebeurtenis plaatsvond in april/mei 2021 [11] , waarna hij direct naar Addis Abeba zou zijn gegaan. Kort daarna, na ongeveer een maand, is hij gearresteerd en vervolgens tot november/december 2021 gedetineerd geweest. Direct na zijn vrijlating is eiser met hulp van een mensensmokkelaar naar Soedan gevlucht. Eiser beroept zich op paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, [12] waarin staat dat het causale verband tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek wordt aangenomen wanneer een vreemdeling binnen zes maanden na die gebeurtenis zijn land verlaat. Indien vertrek binnen die termijn niet mogelijk is buiten de schuld van de vreemdeling, moet het verband volgens eiser alsnog worden aangenomen. Nu vaststaat dat eiser gedurende onvrijwillig in detentie verbleef, is hij buiten zijn schuld niet in staat geweest om eerder te vertrekken. Daarom dient het causale verband tussen de traumatische gebeurtenis en zijn vertrek volgens eiser te worden aangenomen.
9.3.
Dit betoog slaagt niet. De kern van het traumatabeleid is dat een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als hij vanwege traumatische gebeurtenissen in een positie bevindt dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst. De achtergrond van dit beleid is dat van de vreemdeling niet gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst als dit ertoe kan leiden dat deze geconfronteerd kan worden met de ongestraft gebleven daders. Om een beroep te kunnen doen op dit beleid moet de vreemdeling zelf in zijn verklaringen aannemelijk maken dat sprake is geweest van een traumatische gebeurtenis én dat die traumatische gebeurtenis in relatie tot de feitelijke situatie in het land van herkomst reden is geweest voor het vertrek. De bewijslast hiervoor berust dus bij de vreemdeling. Dit is anders als de vreemdeling binnen zes maanden na de traumatische gebeurtenis het land van herkomst heeft verlaten, in dat geval wordt het causale verband tussen de traumatische gebeurtenis en de reden van vertrek aangenomen. Als de vreemdeling echter buiten zijn schuld niet in staat is geweest om het land van herkomst binnen de termijn van zes maanden te verlaten, moet deze aannemelijk maken dat er een verband is tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek uit het land van herkomst. De minister heeft in het voornemen overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gewelddadige dood van zijn broer voor eiser de aanleiding is geweest om Ethiopië te verlaten. In dit verband heeft de minister er op gewezen dat eiser heeft verklaard dat hij na die gebeurtenis naar Addis Abeba ging om daar veilig verblijven [13] en eiser uiteindelijk het land verliet uit de angst om zelf opgepakt te worden en dat er geen andere redenen waren voor zijn vertrek. [14] Eiser heeft dit in de zienswijze niet bestreden. Voor het eerst in beroep heeft eiser zich beroepen op het traumabeleid. Eiser heeft daarbij wel gesteld dat de gebeurtenis met zijn broer mede aanleiding was om Ethiopië te verlaten, maar dit niet onderbouwd. De minister heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiser het verband tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek uit het land van herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van
mr.N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, zesde lid, onder c, Vw 2000.
2.Eiser verwijst hiertoe onder meer naar een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 29 april 2025; een artikel in de Addis Standard van 30 juni 2025 ‘Human Rights First alleges “arbitrary arrests” targeting Tigrayan youths in Addis Abeba’; een artikel in The New Humanitarian van 4 maart 2025 ‘A power struggle in Tigray risks Ethiopia’s peace deal’;
3.De vragen in deze andere zaak zijn door de minister op 24 juli 2025 beantwoord en op 8 september 2025 heeft een zitting plaatsgevonden.
4.Ethiopian National Defence Force.
5.Asylum Research Centre (ARC) – Ethiopia Query Response: The Human Rights Situation in Oromia (May 2022 - May 2024), augustus 2024.
6.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 1 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18522.
7.Algemeen Ambtsbericht Ethiopië, 31 januari 2024, p. 77.
8."BAMF - Federal Office for Migration and Refugees (Germany): Briefing Notes (KW14/2025) van 31 maart 2025.
9.The Africa Daily News van 11 maart 2025: ‘TPLF Faction Ousts Rivals From [naam plaats] in Tigray Amid Rising Eritrea-Ethiopia War Fears’, [website 1]
10.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 17 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10592, r.o. 12-12.4 en Rb. Den Haag (zp Arnhem) 9 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16725, r.o. 7.1.
11.Volgens het verslag nader gehoor vond dit plaats in “april/mei 2020” (Verslag nader gehoor, p. 10)
12.Vreemdelingencirculaire 2000.
13.Verslag nader gehoor, p. 5 en 12.
14.Verslag nader gehoor, p. 6 en 7.