De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag ongegrond verklaard. Eiser, een Somalische nationaliteit dragende minderjarige die inmiddels meerderjarig is, had zijn asielaanvraag ingediend na terugkeer van zijn familie uit Saoedi-Arabië. Hij stelde vrees te hebben voor Al-Shabaab vanwege de moord op zijn broertje en de ontsnapping van een ander broertje.
De minister had de aanvraag afgewezen op grond van een gebrek aan geloofwaardigheid van de verklaringen over de moord en de ontsnapping, mede omdat eiser geen objectieve documenten kon overleggen. De rechtbank oordeelde dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister conform de geldende werkinstructie (WI 2024/6) en het Unierecht was en dat de verklaringen onvoldoende samenhangend en aannemelijk waren.
Verder werd geoordeeld dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer, omdat hij naar gebieden reist die niet onder volledige controle van Al-Shabaab staan en geen individuele verhoogde risico’s aannemelijk heeft gemaakt. Ook de aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vluchtelingen werd afgewezen, omdat het onderzoek naar adequate opvang niet langer dan 1,5 jaar kon duren en eiser al meerderjarig was bij het besluit.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter A.S.W. Kroon.