ECLI:NL:RBDHA:2025:22753

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
NL25.56283
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 2 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring die op 17 november 2025 aan eiser is opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser, die stelt Libische nationaliteit te hebben, heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 behandeld, waarbij eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was.

De rechtbank heeft de rechtmatigheid van de maatregel beoordeeld en vastgesteld dat de gronden voor de maatregel voldoende gemotiveerd zijn. Eiser heeft betwist dat hij zich aan de maatregel heeft gehouden en heeft aangevoerd dat er geen lichter middel is toegepast. De rechtbank oordeelt echter dat de gronden voor de maatregel, waaronder het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te rechtvaardigen. Eiser heeft niet overtuigend aangetoond dat hij medewerking verleent aan zijn uitzetting of dat de medische zorg in het detentiecentrum onvoldoende is.

De rechtbank concludeert dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat verweerder niet voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De rechtbank wijst het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af. Tevens wordt er geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is openbaar gemaakt en er is een rechtsmiddel tegen deze uitspraak mogelijk binnen een week na bekendmaking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56283

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2006 en de Libische nationaliteit te hebben.
Omzetting maatregel
2. Eiser verzoekt de rechtbank om ambtshalve te toetsen of de grondslag van de maatregel tijdig is omgezet.
3. In dit beroep wordt alleen de rechtmatigheid beoordeeld van de maatregel die op 17 november 2025 aan eiser is opgelegd. De vraag of de eerder op 31 oktober 2025 opgelegde maatregel van bewaring tijdig is opgeheven en omgezet ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor. Eiser had dit kunnen aanvoeren door bijvoorbeeld een vervolgberoep in te
dienen tegen de maatregel van bewaring van 31 oktober 2025.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring die is opgelegd bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist alle aan de maatregel ten grondslag gelegde zware en lichte gronden. De rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 18 november 2025 [4] geoordeeld dat deze gronden voldoende gemotiveerd en feitelijk juist zijn. Zij ziet geen aanleiding om hier nu anders over te oordelen. De zware grond 3a is nog altijd feitelijk juist. Eiser heeft zelf verklaard illegaal naar Nederland te zijn gekomen. [5] Daarmee is deze grond feitelijk juist. Hoewel eisers laatste binnenkomst in het kader van de Dublinverordening heeft plaatsgevonden, doet dit niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Zware grond 3b acht de rechtbank eveneens feitelijk juist. Eiser is immers op 12 juni 2025 met onbekende bestemming vertrokken, wat hij ook niet betwist. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
Lichter middel
6. Eiser stelt dat ten onrechte geen lichter middel is toegepast. Zijn persoonlijke omstandigheden, dat hij actief medewerking verleent door te proberen zijn geboorteakte te verkrijgen en zijn medische omstandigheden, zijn onvoldoende meegewogen. Daarnaast verergeren zijn klachten door het strikte regime in het detentiecentrum. Hij krijgt geen behandeling voor zijn medische klachten.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, voldoende zijn om het risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarnaast is hij eerder met onbekende bestemming vertrokken. De enkele stelling dat eiser medewerking verleend door zijn geboorteakte te achterhalen is onvoldoende, ook gelet op zijn verklaringen dat hij niet wenst terug te keren naar Libië. Verweerder heeft verder bij de belangenafweging terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij wordt verstoken van medische zorg in het detentiecentrum of dat deze zorg onvoldoende is. Indien eiser van mening is dat deze zorg alsnog niet toereikend is, dan ligt het op zijn weg om op grond van de Pbw [6] een klacht hierover in te dienen.
Voortvarend handelen en zicht op uitzetting
8. Eiser stelt dat niet is gebleken dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Ook is er geen zicht op uitzetting. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat er kans is op het verkrijgen van een lp. [7]
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er een lp-aanvraag loopt sinds 16 november 2025 en dat hierover gerappelleerd wordt. Verweerder is daarbij afhankelijk van de Libische autoriteiten en moet de kans worden gegeven om reactie af te wachten. Ook is op 18 november 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Verder is de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Libië in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. De Afdeling [8] heeft het eerste recentelijk bevestigd. [9]
Ambtshalve toets
10. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 december 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
5.Proces-verbaal van gehoor van 31 oktober 2025, p. 5 van 10.
6.Penitentiaire beginselenwet.
7.Laissez-passer.
8.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.Uitspraak van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3070.