ECLI:NL:RBDHA:2025:22830

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
NL25.9543
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag van Nigeriaanse eiser wegens gebrek aan nieuwe feiten en omstandigheden

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 10 november 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure. De rechtbank verklaart het beroep van de Nigeriaanse eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn opvolgende asielaanvraag ongegrond. Eiser had eerder asiel aangevraagd, maar zijn aanvraag werd afgewezen op basis van ongeloofwaardigheid. De rechtbank oordeelt dat de overgelegde documenten, waaronder een arrestatiebevel van de Nigeriaanse autoriteiten, niet voldoende zijn om aan te tonen dat er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die de heropening van de asielprocedure rechtvaardigen. Eiser heeft niet kunnen bewijzen dat hij daadwerkelijk wordt gezocht door de Nigeriaanse autoriteiten, en de rechtbank concludeert dat de argumenten van eiser niet overtuigend zijn. De rechtbank wijst erop dat eiser geen origineel arrestatiebevel heeft overgelegd en dat de kopie die hij heeft ingediend niet geloofwaardig is. De rechtbank stelt vast dat de asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat er geen nieuwe elementen zijn die relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De uitspraak houdt in dat het bestreden besluit in stand blijft en dat eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9543

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,
V-nummer: [nummer]
gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist,
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.S. Hoogendoorn.

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
Eiser heeft op dezelfde dag beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening (met zaaknummer NL25.9544) op 11 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de tolk [naam 1] en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij heeft eerder op 14 september 2019 asiel aangevraagd in Nederland. Deze aanvraag is bij besluit van 17 juni 2021 in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft ongeloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft met de Nigeriaanse autoriteiten vanwege zijn activiteiten op social media voor Indigenous People of Biafra (IPOB). Het tegen dat besluit ingestelde beroep van eiser is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 februari 2022 (ECLI:NL:RBROT:2021:1262) ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 23 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1463) het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken en aldus geen belang meer had bij de beoordeling van het hoger beroep.
1.2.
Eiser legt aan de onderhavige, opvolgende asielaanvraag (opnieuw) ten grondslag dat hij wordt gezocht door de Nigeriaanse autoriteiten en daarom niet kan terugkeren naar Nigeria. Bij zijn aanvraag heeft eiser een kopie van een arrestatiebevel van de geheime politie en een artikel ‘Police Brutality and Violation of Human Rights in Nigeria – Causes and Implications’ uit de Global Journal of Politics and Law Research overgelegd.
Het bestreden besluit
2. Verweerder heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen nieuwe elementen of bevindingen aan ten grondslag zijn gelegd of aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Dit is mogelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daartoe acht verweerder redengevend dat eiser met de overgelegde kopie van het arrestatiebevel niet geloofwaardig heeft gemaakt dat het publiek in Nigeria is verzocht om eiser aan te geven. Nu aan de kopie niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien, worden ook de hieruit voortvloeiende bedreigingen niet gevolgd. Er zijn dus volgens verweerder geen nieuwe feiten of omstandigheden die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
Beroepsgronden
3.1.
Eiser stelt dat verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij ten eerste aan dat met de overgelegde kopie van het arrestatiebevel wel degelijk geloofwaardig is gemaakt dat hij wordt vervolgd door de Nigeriaanse autoriteiten. Dat het slechts om een kopie gaat biedt geen grondslag voor het ontnemen van bewijskracht daaraan. Eiser hoeft zijn asielrelaas niet met het originele documenten zoals het originele arrestatiebevel te bewijzen. Verweerder legt de lat te hoog. Dat de kopie eerder had kunnen worden overgelegd biedt geen aanleiding voor de conclusie dat geen sprake van een nieuw relevant feit of omstandigheid. Eiser was er namelijk van overtuigd dat zijn asielmotieven in de eerste asielprocedure op juiste waarde zouden worden geschat. Bovendien wist eiser op dat moment helemaal niet dat dit document bestond.
3.2.
Ten tweede heeft verweerder hem volgens eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over hoe hij in contact is gekomen met de mensenrechtenadvocaat in Nigeria. Een medewerker van IOM heeft eiser op de mogelijkheid gewezen om contact op te nemen met een mensenrechtenadvocaat in Nigeria en hem een website gegeven. Pas daarna heeft eiser vanuit een overlevingsinstinct de kracht geput om achter de computer te gaan zitten. Het gaat hier dus niet om hetzelfde feitencomplex. Ook heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eisers verklaring over het jaar waarin hij op de hoogte is geraakt van de oproep niet overeenkomt met het jaartal zoals vermeld in de M35-O. Het invullen van jaartallen op een M35-O betreft immers slechts een formaliteit die niet van belang is voor de geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook is het niet tegenstrijdig dat in de kopie van het arrestatiebevel staat dat het document enkel bestemd is voor politiegebruik terwijl eiser heeft verklaard dat de kopie aan het publiek gericht en openbaar verspreid is. Dat kopieën worden gebruikt om vervolging openbaar te maken laat onverlet dat het arrestatiebevel zelf enkel voor intern gebruik bestemd is. Verweerder mocht eiser ook niet tegenwerpen dat alleen op vermoedens is gebaseerd dat de Nigeriaanse autoriteiten hem actief vervolgen wegens zijn manifestatie in 2022/23 en dat zij hier de “oude zaak” bij gepakt hebben. Van eiser kan niet worden verwacht dat hij als gezochte persoon bij de Nigeriaanse autoriteiten controleert wat de motieven en handelswijze van die autoriteiten zijn.
3.3.
Tenslotte heeft verweerder ten onrechte gesteld dat het artikel op de website Akelicious feitelijke onjuistheden bevat. De papieren werkelijkheid is nu eenmaal anders dan de praktijk.
Beoordeling
Juridisch kader
4.1.
Voordat verweerder overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van het asielverzoek, beoordeelt hij of de herhaalde aanvraag ontvankelijk is (in het kader van artikel 40, tweede en derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU). Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 28 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2713, onder 5). Het asielverzoek is ontvankelijk als aan twee cumulatieve vereisten is voldaan. Ten eerste moeten de aangedragen elementen en bevindingen nieuw zijn ten opzichte van de voorgaande procedure. Dit is het geval wanneer ze niet werden onderzocht in het kader van het op de vorige asielaanvraag genomen besluit en waarop dat besluit niet kon worden gebaseerd (zie punt 50 van het arrest L.H. tegen Nederland van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478 en punt 42 van het arrest van het Hof in de zaak X.Y. tegen Oostenrijk van 9 september 2021, ECLI:EU:C:2021:710). Ten tweede moeten de aangedragen elementen en bevindingen relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag (zie in dit verband de uitspraken van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208, en van 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699).
Ontbreken origineel arrestatiebevel
4.2.
Op zichzelf betoogt eiser terecht dat er geen regel is die verplicht tot het indienen van originele stukken of tot het bewijzen van zijn asielrelaas. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser in dit geval toch kunnen tegenwerpen dat hij geen origineel van het arrestatiebevel heeft overgelegd. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat het arrestatiebevel het centrale stuk is in deze procedure dat de aanleiding is geweest voor het indienen van de opvolgende asielaanvraag. Eiser lijkt echter geen moeite te hebben gedaan om hiervan een origineel te verkrijgen dat verweerder op echtheid zou kunnen laten onderzoeken. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag (p. 5) heeft eiser verklaard dat in Nigeria opsporingsberichten in een politiebestand komen, dat de aangezochte mensenrechtenadvocaat in Nigeria het arrestatiebevel in het politiebestand heeft gevonden en de mensenrechtenadvocaat een link naar eiser heeft gestuurd. Hieruit volgt dat deze mensenrechtenadvocaat toegang had tot het politiebestand waarin opsporingsberichten worden bewaard. Niet is gesteld of gebleken dat de mensenrechtenadvocaat inmiddels de toegang tot het politiebestand is ontzegd en/of dat eiser geen contact meer heeft met deze advocaat. Bij deze stand van zaken had het op de weg van eiser gelegen om opnieuw in contact te treden met de mensenrechtenadvocaat. Ook tijdens de zitting heeft eiser niet goed kunnen uitleggen waarom hij dit heeft nagelaten. Eiser heeft ook niet gesteld dat hij zich anderszins heeft ingespannen om een origineel uittreksel te verkrijgen. Het betoog van eiser dat niet van hem kan worden verlangd om een origineel arrestatiebevel (lees: het eerst geschreven/opgemaakte arrestatiebevel) te verkrijgen, slaagt niet, omdat verweerder dit niet van hem heeft gevraagd. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van verweerder (onbetwist) gesteld dat met ‘origineel arrestatiebevel’ in het bestreden besluit niet wordt bedoeld het eerst geschreven arrestatiebevel maar een uittreksel ervan.
Kopie van arrestatiebevel
4.3.
Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat de kopie van het arrestatiebevel onvoldoende overtuigt. In dat kader heeft verweerder terecht gesteld dat eisers verklaringen over de kopie van het arrestatiebevel niet overeenkomen met de inhoud daarvan. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser verklaard dat de mensenrechtenadvocaat in Nigeria een link naar een opsporingsbericht naar hem heeft gestuurd (p. 5). Eiser heeft vervolgens desgevraagd verklaard dat de link op een van de documenten staat die als bijlagen bij zijn verzoek zijn gevoegd (p. 5). De gemachtigde van eiser heeft in de correcties en aanvullingen een artikel op de website Akelicious genoemd (zie p. 2). Daarbij heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat dit het opsporingsbericht is dat ziet op de tijdens het gehoor opvolgende aanvraag besproken arrestatiebevel. Verweerder heeft (onbetwist) gesteld dat, anders dan eiser eerder tijdens het gehoor heeft verklaard, op de kopie van het arrestatiebevel geen link naar een opsporingsbericht is opgenomen. Eiser heeft niet uitgelegd waarom hij eerder tijdens het gehoor wel zo heeft verklaard.
4.4.
Verweerder heeft zich in dit kader ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de verkrijging van de kopie van het arrestatiebevel. Onduidelijk blijft, ook tijdens de zitting, waarom eiser nu geen schriftelijke bevestiging van het eerdere contact bij het IOM kan opvragen. Ook wordt eiser niet gevolgd in zijn standpunt dat verweerder informatie over dit contact had kunnen en daarom moeten inwinnen. Het is namelijk aan eiser om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Ook is een onderbouwing van het contact met de mensenrechtenadvocaat over de kopie van het arrestatiebevel uitgebleven. Eiser heeft op zitting zijn telefoon getoond omdat hij stelde dat zijn mensenrechtenadvocaat de link naar het arrestatiebevel via whatsapp had verstuurd. De rechtbank heeft vervolgens geconstateerd dat eiser recente whatsapp-gesprekken voerde met een nummer waarbij geen naam was opgeslagen. Ook ging het volgens eiser om gesprekken uit 2025, terwijl de link in 2022 zou zijn toegestuurd. Voor zover de whatsappgesprekken met de mensenrechtenadvocaat uit 2022 en 2023 zijn verwijderd vanwege de geheugencapaciteit van de telefoon, zoals eiser stelt, komt dit voor eisers rekening en risico. Eiser had ervoor kunnen kiezen om deze veilig te stellen. Hij had namelijk vanwege zijn eerdere asielaanvraag op de hoogte kunnen zijn van het belang van dit soort onderbouwing. Ook heeft verweerder eiser in dit kader kunnen tegenwerpen dat hij de naam van de mensenrechtenadvocaat niet goed wist. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser verklaard zich deze niet te kunnen herinneren, dat zijn naam iets van [naam 2] was en dat hij de volledige naam niet weet (p. 7). In de zienswijze heeft eiser verklaard dat de naam van de advocaat eenmaal ter tafel is gekomen, dat hij deze naam niet goed heeft onthouden en dat de naam luidde “[naam 3]” of iets dat daarop leek. Hij heeft dus twee verschillende namen genoemd. Verweerder heeft het bevreemdend kunnen vinden dat eiser dit niet heeft onthouden, zeker nu het door de mensenrechtenadvocaat verrichtte onderzoek grote gevolgen kon hebben voor het verblijfsrecht van eiser in Nederland. Dit is ook niet goed te rijmen met eisers verklaring dat hij geld heeft overgemaakt naar deze advocaat. Voor (internationale) geldtransacties is een aantal (persoons)gegevens vereist van de ontvanger, waaronder een naam.
De rechtbank volgt eiser wel in zijn standpunt dat zijn verklaringen dat zijn overlevingsinstinct hem de kracht heeft gegeven om achter de computer te gaan zitten en naar een mensenrechtenadvocaat in Nigeria te gaan zoeken (p. 7) en dat hij door het IOM (bij wijze van begeleiding) op het spoor is gezet van het inschakelen van een mensenrechtenadvocaat, elkaar niet uitsluiten. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit echter niet tot een motiveringsgebrek. De rest van de motivering van verweerder op dit punt houdt namelijk wel stand, en is voldoende.
4.5.
Verder heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft verklaard over de verspreiding van de kopie van het arrestatiebevel. In het aanvraagformulier is namelijk vermeld dat eiser dit stuk in maart 2023 heeft verkregen (zie M35-O, p. 10), terwijl hij later tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft verklaard deze informatie in 2022 te hebben gekregen en dit zeker te weten (p. 10). Toen eiser met deze tegenstrijdigheid door de gehoormedewerker is geconfronteerd heeft eiser verklaard dat hij de kopie van het arrestatiebevel in 2022 heeft ontvangen maar dat zijn advocaat het formulier in 2023 heeft ingevuld. Dit verklaart echter niet de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheid. Het enkel (in de zienswijze en in beroep) bagatelliseren van dit verschil, leidt niet tot een andere conclusie. Ook heeft eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag eerst verklaard dat hij de verspreiding van dit stuk met eigen ogen heeft gezien (p. 8-9), maar later in correcties en aanvullingen dat hij dit niet zelf heeft gezien maar dat hij van zijn advocaat heeft vernomen dat dit het geval was (p. 2). Eiser heeft niet uitgelegd waarom van deze correctie dient te worden uitgegaan. Ook heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet concreet kon benoemen via welke media of kranten dit stuk is verspreid. Daarnaast staat op de kopie van het arrestatiebevel dat het een vertrouwelijk document is en enkel bestemd is voor intern gebruik. Tegen deze achtergrond is het lastig te rijmen dat eiser stelt dat de oproep aan het publiek gericht is en openbaar is verspreid (zie het gehoor opvolgende aanvraag, p. 14). De enkele stelling van eiser dat “vertrouwelijk” niet betekent dat iedereen er vertrouwelijk mee omgaat en dat het arrestatiebevel zelf wel degelijk voor intern gebruik was ondanks externe verspreiding, is onvoldoende voor een ander oordeel.
4.6.
Verweerder heeft bij de beoordeling ten slotte kunnen betrekken dat eiser de kopie van het arrestatiebevel niet eerder heeft ingebracht. Zoals hiervoor overwogen heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de datum waarop hij deze informatie heeft gekregen. Eiser heeft op zitting desgevraagd (opnieuw) verklaard dat hij dit stuk van de mensenrechtenadvocaat ergens in 2022 heeft ontvangen. Eiser heeft echter pas op 11 april 2023 voorliggende asielaanvraag ingediend en daarbij de kopie van het arrestatiebevel overgelegd. Eiser stelt dat hij niet eerder de noodzaak zag om dit stuk eerder te overleggen omdat hij een diepgewortelde overtuiging had dat verweerder hem nooit zou aanzeggen om Nederland te verlaten. In het voornemen van 17 mei 2021 is echter eiser al aangezegd dat hij geen verblijfsrecht in Nederland zou krijgen en dat hij Nederland zal moeten verlaten. Zelfs als aangenomen wordt dat eiser ook na het voornemen nog vertrouwen had in een goede afloop van de eerste asielprocedure, kan dat niet meer worden volgehouden na het onherroepelijk worden van de afwijzing van de eerste asielaanvraag. Tussen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep op 23 mei 2022 en de indiening van de opvolgende asielaanvraag op 11 april 2023 zit ruim een jaar. Dat eiser stelt dat hij niet eerder op de hoogte was van de kopie van het arrestatiebevel strookt niet met zijn eerdere verklaring dat hij in 2022 al beschikte over deze informatie. Verweerder heeft de verklaringen die eiser heeft gegeven voor het niet eerder overleggen van dit stuk dan ook niet ten onrechte onbevredigend gevonden.
Opsporingsbericht
4.7.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat het online opsporingsbericht niet relevant kan zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. In de eerste plaats heeft verweerder er niet ten onrechte op gewezen dat in dit bericht geen auteur staat vermeld. Het gevolg hiervan is dat de betrouwbaarheid van de auteur niet kan worden geverifieerd. Dit doet afbreuk aan de bewijswaarde van het overgelegde opsporingsbericht. In de tweede plaats heeft verweerder terecht gesteld dat dit artikel inhoudelijk niet overeenkomt met landeninformatie en informatie uit andere objectieve bronnen. In het door eiser aangehaalde artikel wordt bijvoorbeeld genoemd dat Boko Haram in Kano de sharia wil invoeren. Volgens verweerder is de sharia in Kano echter al in 1999 ingevoerd. Daarbij verwijst verweerder naar een artikel van de BBC, Nigeria’s Sharia police bulldoze four million bottles of beer in Kano, van 10 februari 2022 (geraadpleegd op 23 december 2024), het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van januari 2023 (zie p. 41) en het rapport van EUAA, Nigeria EUAA – Country Focus July 2024, p. 65 en 66). Eiser heeft zelf geen landeninformatie of enig andere informatie uit objectieve bron overgelegd die wijst op het tegendeel. De rechtbank is van oordeel dat bij deze stand van zaken het ervoor moet worden gehouden dat de enkele stelling van eiser dat de papieren werkelijkheid nu eenmaal anders is dan de praktijk en het gaat om Afrika (overigens een onterechte generalisatie van een heel continent), er niet toe kan leiden dat verweerder standpunt over dit artikel niet kan worden gevolgd.
4.8.
Verweerder heeft daarbij ook kunnen stellen en betrekken dat niet aannemelijk is gemaakt dat, zoals eiser stelt, pas na elf jaar na het gestelde incident een bericht hierover op internet is gepubliceerd. Dat eiser (nu nog) wordt gezocht door de Guinese autoriteiten is, zo blijkt uit het dossier, gebaseerd op vermoedens van eiser. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser desgevraagd verklaard dat het de manier is waarop de regering en het bestuurssysteem werkt, en dat als je eenmaal als tegenstander bent bestempeld je doodgaat of bij terugkeer (p. 11). Deze stelling is niet geconcretiseerd en onderbouwd. Eiser heeft bovendien, na Boko Haram in 2012 te zijn ontvlucht, nog vier jaar in Nigeria verbleven zonder dat hij door Boko Haram of de Nigeriaanse overheid is benaderd. Dat eiser in die periode onder de radar is gebleven door niet te zeggen wie hij is en zo de dans is ontsprongen, zoals eiser al tijdens de vorige beroepsprocedure ter zitting heeft gesteld, maakt hij (nog steeds) niet aannemelijk. Ook als wordt aangenomen dat de modus operandi van de Nigeriaanse autoriteiten is om iedere als tegenstander bestempelde persoon te vervolgen, roept de omstandigheid dat eiser na de vlucht nog gedurende vier jaar zonder problemen in Nigeria heeft kunnen verblijven, vragen op. In de zienswijze heeft eiser nog aangevoerd dat hij denkt dat de Nigeriaanse autoriteiten hem actief vervolgen wegens zijn politieke uitlatingen op social media sinds 2022/2023 en dat zij hier de “oude zaak” bij hebben gepakt. Ook dit is niet onderbouwd. Ook anderszins is niet gebleken dat eiser wordt gezocht door de Guinese autoriteiten vanwege zijn politieke uitlatingen op social media. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat zij eiser in de eerste asielprocedure heeft voorgehouden dat uit de door verweerder in het besluit van 17 juni 2021 aangehaalde passages op p. 26 van het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van maart 2021 niet blijkt dat je als aanhanger van IPOB een risico loopt op arrestatie vanwege het enkel actief zijn op sociale media en dat eiser dit destijds niet heeft betwist (zie rechtsoverweging 3.2). Eiser heeft in deze asielprocedure dit niet alsnog betwist of recentere landeninformatie overgelegd die een ander licht werpt op dit punt.
4.9.
Uit al het voorgaande volgt dat, op één tegenwerping na, verder alle tegenwerpingen overeind kunnen blijven. Uit het voorgaande volgt ook dat, anders dan eiser betoogt, verweerder de asielaanvraag niet enkel en alleen heeft afgewezen vanwege het ontbreken van het originele arrestatiebevel. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen begin van bewijs heeft geleverd voor de stelling dat hij door de autoriteiten van Nigeria wordt gezocht. Gelet hierop hoefde verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook geen nader onderzoek (in de vorm van een individueel ambtsbericht) te verrichten naar het gestelde gevaar in Nigeria. De in dit kader aangevoerde beroepsgronden slagen niet.
Bedreigingen via telefoon en social media
4.10.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft gericht tegen het standpunt van verweerder dat nu aan het online opsporingsbericht geen bewijswaarde wordt toegekend al daarom ook de daaruit voortvloeiende dreigingen niet worden gevolgd.
Geen nieuwe feiten en omstandigheden
4.11.
Gelet op al het voorgaande, in samenhang bezien, heeft verweerder terecht gesteld dat wat eiser in onderhavige asielprocedure heeft aangevoerd geen nieuwe elementen of bevindingen zijn die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser dan ook niet-ontvankelijk kunnen verklaren op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. De aangevoerde beroepsgronden slagen niet.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.