Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de aanvraag van eiseres heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vrijstelling van het griffierecht
4. Eiseres heeft gemotiveerd verzocht om vrijgesteld te worden van het griffierecht, omdat zij dat niet kan betalen. De rechtbank stelt eiseres daarom vrij van het betalen van het griffierecht.
Feiten en omstandigheden
5. Eiseres is geboren op [geboortedag] 2006. Zij woont in Marokko.
6. In 2018 is de moeder van eiseres, [moeder] , samen met haar dochter (de zus van eiseres) [dochter] , naar Nederland gereisd om zich te voegen bij de in Nederland verblijvende toenmalige echtgenoot van [moeder] , [de persoon] (achternaam niet bekend). Eiseres is achtergebleven in Marokko. Zij kon niet meereizen met haar moeder en zus naar Nederland omdat de papieren voor haar niet rond kwamen. Naar eigen zeggen kwam de moeder van eiseres naar Nederland vanuit de wens om haar kinderen een betere toekomst te geven. Eiseres is toen bij haar oma in [woonplaats] ondergebracht. Zij heeft daar gewoond tot 12 oktober 2023. Vervolgens heeft eiseres tot en met 8 maart 2024 bij een vriendin van haar moeder in Marokko gewoond en vervolgens, tot op heden, bij een ver familielid in Marokko.
7. De moeder van eiseres is na haar komst naar Nederland op enig niet nader bekend moment naar eigen zeggen gescheiden van de vader van eiseres. De moeder van eiseres heeft vervolgens een nieuwe partner ontmoet met de Nederlandse nationaliteit. De moeder van eiseres is toen zwanger geworden. Toen zij twintig weken zwanger was heeft zij een aanvraag ingediend voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU voor haarzelf, haar dochter [dochter] en voor eiseres die dus nog in Marokko verbleef.
8. In het besluit in primo van 3 juli 2023 is op deze aanvraag negatief beslist omdat er sprake was van een nog niet geboren kind. Tegen dit besluit is op 27 juli 2023 bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarfase is op 14 september 2023 [halfzus] , de halfzus van eiseres,geboren. [halfzus] heeft de Nederlandse nationaliteit.
9. Aan de moeder van eiseres ( [moeder] ) en de zus van eiseres ( [dochter] ) is vervolgens een verblijfsrecht toegekend op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest van het HvJEU in de zaak Chavez-Vilchez, vanwege de zorg van moeder als derdelandse ouder voor het Nederlandse kind [halfzus]. De moeder en zus van eiseres vormen samen met [halfzus] en de vader van [halfzus] een gezin dat onder éénn dak woont.
10. In het bestreden besluit van 27 september 2024 is aan eiseres een verblijfsrecht geweigerd. Volgens de minister kan eiseres geen verblijfsrecht ontlenen aan artikel 20 van het VWEU en evenmin aan artikel 8 van het EVRM. Eiseres is het hier niet mee eens. Volgens haar nopen zowel artikel 20 van het VWEU als artikel 8 van het EVRM tot het verlenen van een verblijfsrecht.
Moest de minister eiseres een faciliterend visum verstrekken?
11. Eiseres voert allereerst aan dat zij ten tijde van de aanvraag minderjarig was en daarom recht had op inreis naar Nederland.Het Chavez-verblijfsrecht houdt immers een declaratoir verblijfsrecht in, dus vanaf de geboorte van [halfzus] heeft eiseres altijd recht gehad op inreis. Toen de minister de moeder en zus van eiseres in het bezit stelde van het Chavez-verblijfsrecht had hij aan eiseres een faciliterend visum als bedoeld in artikel 5 van de Verblijfsrichtlijnmoeten verstrekken. Eiseres verwijst in dit verband naar verschillende arresten van het HvJEU.
12. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In de door eiseres ingeroepen arresten van het HvJEU gaat het feitelijk om zodanig andere casus dat de rechtbank niet kan inzien hoe uit deze arresten in een situatie als de hier voorliggende een plicht voortvloeit voor de minister om een faciliterend visum te verlenen. De minister is in het bestreden besluit terecht tot een inhoudelijke beoordeling overgegaan van de vraag of eiseres voldoet aan de criteria die zijn ontwikkeld naar aanleiding van het arrest Chavez-Vilchez en daarom in aanmerking zou moeten komen voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU.
Artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de Chavez-Vilchez-criteria en dat eiseres daarom geen verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU. Op grond van het dossier en de verklaringen op de zitting stelt de rechtbank vast dat de moeder van eiseres sinds haar vertrek uit Marokko in 2018 op afstand betrokken is geweest en gebleven bij de opvoeding van eiseres. Zij heeft regelmatig contact onderhouden met eiseres en met de familieleden en een vriendin bij wie eiseres sinds 2018 woonde. Ook heeft de moeder van eiseres regelmatig geld ten behoeve van eiseres naar Marokko gestuurd en heeft zij sinds zij is gescheiden van de vader van eiseres het eenhoofdig gezag over eiseres. De daadwerkelijke dagelijkse primaire zorg voor eiseres heeft echter sinds moeder en eiseres van elkaar gescheiden zijn geraakt in 2018 niet langer bij de moeder gelegen, maar bij familieleden en een vriendin van de moeder. Eiseres was op het moment van het vertrek van haar moeder twaalf jaar oud. Tijdens haar tiener- en puberjaren is zij verzorgd en opgevoed door familieleden en een vriendin van moeder. Inmiddels is eiseres een jongvolwassen vrouw. Dit verloop van feiten en omstandigheden heeft ervoor gezorgd dat niet kan worden gezegd dat eiseres afhankelijk is van moeder voor haar verzorging en opvoeding. De minister heeft daarom terecht vastgesteld dat niet is voldaan aan het afhankelijkheidsvereiste als bedoeld in de d-grond van paragraaf B10/2.2 van de Vc.Hieruit leidt de rechtbank vervolgens af dat het uitblijven van een verblijfsrecht voor eiseres er niet toe zal leiden dat [halfzus] , het kind dat de Nederlandse nationaliteit heeft en dus Unieburger is, de Europese Unie zou moeten verlaten en aldus haar rechten als Unieburger verliest. [halfzus] verblijft in Nederland in haar gezin dat bestaat uit een Nederlandse vader en de moeder en zus van eiseres die in het bezit zijn van een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU vanwege de zorg voor [halfzus] . [halfzus] en eiseres hebben nimmer met elkaar in gezinsverband geleefd en het is dan ook niet aannemelijk te achten dat het evenwicht van [halfzus] verstoord zal raken als eiseres geen verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU krijgt. Nu eiseres voor haar dagelijkse primaire zorg niet afhankelijk is van moeder, is er ook geen noodzaak voor de moeder van eiseres om ten behoeve van zorg voor eiseres terug te keren naar Marokko en [halfzus] gelet op haar jonge leeftijd en daarmee verband houdende zorgbehoefte mee te nemen. Logischerwijze is in deze zaak ook op geen enkele wijze gebleken van een voornemen voor een dergelijk vertrek uit Nederland. In zoverre slaagt het beroep van eiseres niet.
14. De minister heeft in het bestreden besluit beoordeeld of hij eiseres een verblijfsrecht kan verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM. Dit heeft de minister gedaanconform de jurisprudentielijn van de Afdelingdie is ingezet met de uitspraak van 20 januari 2022en die inhoudt dat ook als de minister vaststelt dat een aanvrager van rechtswege geen EU-verblijfsrecht toekomt, hij die aanvrager alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM kan verlenen, terwijl daar niet expliciet een aanvraag voor is ingediend. Aan verlening van een dergelijke verblijfsvergunning staat niet in de weg dat toetsing aan het EU-recht te onderscheiden is van het bepaalde in artikel 8 van het EVRM.
15. De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat sprake is van gezinsleven tussen eiseres, haar moeder, [dochter] en [halfzus] . Naar het oordeel van de rechtbank is dit in lijn met het door eiseres ingeroepen arrest van het EHRMin de zaak [naam] tegen Nederland.In dat arrest is in overweging 44 het volgende overwogen:
“when one of the family members was a minor at the time the request for family reunification was lodged, the Court will assess the question on the existence of “family life” based on the situation as it obtained on that date in order to avoid that a child ‘ages out’ pending the proceedings (see, for instance, El Ghatet v. Switzerland, no. 56971/10, § 51, 8 November 2016, and Tanda‑Muzinga v. France, no. 2260/10, § 74 in fine, 10 July 2014).”
De minister is terecht in lijn met dit arrest bij de vraag of sprake is van gezinsleven uitgegaan van de minderjarigheid van eiseres ten tijde van de aanvraag en heeft gezinsleven aangenomen.
16. Volgens de minister valt de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiseres uit. In het voordeel van eiseres weegt mee dat zij geen gevaar is voor de openbare orde. Zwaar in het nadeel van eiseres weegt mee dat zij geen zelfstandig inkomen heeft en niet is gebleken dat zij of haar moeder in staat zijn om voor zelfstandige inkomsten te zorgen. In het nadeel van eiseres weegt verder mee dat Nederland een restrictief toelatingsbeleid hanteert, sprake is van een eerste toelating en eiseres en haar moeder beperkte invulling geven aan het gezinsleven. Ten slotte weegt in het nadeel mee dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om in Marokko te verblijven en daar het gezinsleven voort te zetten.
17. Eiseres voert aan dat de belangenafweging onzorgvuldig is gemaakt en niet juist is gemotiveerd. Ten eerste gaat de minister volgens eiseres ten onrechte uit van een beperkte invulling van het gezinsleven. Eiseres oefent haar gezinsleven met haar zus en moeder al vanaf haar geboorte uit en zij hebben tot aan het vertrek van moeder en zus naar Nederland altijd samen gewoond. Om praktische redenen kon eiseres in 2018 niet mee naar Nederland. Eiseres wijst in dit verband op uitspraken van de Afdeling van 2 juni 2025en van 20 januari 2022,. Hierin werd niet tegengeworpen aan de vreemdeling dat de moeder alvast vooruit was gereisd en de andere halfbroers/zussen pas later zouden komen. Eiseres onderhoudt intensief contact met haar zus en moeder en uit de verklaring van de psycholoog volgt dat zij een depressie heeft die direct voortvloeit uit het feit dat zij van haar familie in Nederland gescheiden is.
Ten tweede voert eiseres aan dat de minister het economisch belang onzorgvuldig heeft gewogen. Het economisch belang is alleen in algemene termen toegelicht, terwijl er geen rekening mee is gehouden dat de huidige partner van moeder voldoende inkomsten geniet om aan de middeleneis te voldoen en het gezin inclusief eiseres te onderhouden. Ten derde heeft de minister bij de vraag of er een objectieve belemmering is ten onrechte geen gewicht toegekend aan de Chavez-verblijfsrechten van de moeder en zus van eiseres en de Unierechtelijke rechten van [halfzus] als minderjarige Unieburger. Eiseres wijst in dit verband op een uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2023waarin dit als een belang in de
belangenafweging wordt erkend.
18. De rechtbank volgt eiseres in het standpunt dat de belangenafweging niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering ontbeert. Het standpunt van de minister dat maar beperkt invulling wordt gegeven aan het gezinsleven doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de feiten en omstandigheden die uit het dossier en het verhandelde op de zitting naar voren zijn gekomen en is daarom niet zorgvuldig voorbereid. De moeder van eiseres heeft door de jaren heen steeds contact onderhouden met eiseres en zich steeds bemoeid met de opvoeding van eiseres. Ook is er regelmatig geld gestuurd ten behoeve van eiseres en heeft zij na de echtscheiding van de vader van eiseres het eenhoofdig gezag over eiseres geregeld. Deze feiten en omstandigheden kunnen in de belangenafweging die gemaakt moet worden in het kader van artikel 8 van het EVRM anders worden gewogen dan in het Chavez-toetsingskader. Dat in de Chavez-beoordeling is vastgesteld dat moeder sinds haar vertrek uit Marokko in 2018 niet meer de dagelijkse primaire zorg voor eiseres heeft gedragen, betekent nog niet automatisch dat dit gegeven in de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM automatisch moet worden gekwalificeerd als beperkte invulling van het gezinsleven. Zonder nadere motivering ziet de rechtbank niet in waarom aan de in dit geval door moeder aan eiseres geboden juridische, financiële en affectieve zorg niet meer gewicht toekomt dan de minister er nu in het bestreden besluit aan heeft gegeven.
19. De rechtbank volgt eiseres ook in het standpunt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de financiële situatie van het hele gezin. De huidige partner van de moeder van eiseres (haar stiefvader) heeft een eigen restaurant en heeft stukken overgelegd ter onderbouwing van de hieruit voortkomende inkomsten. Op de zitting heeft de stiefvader van eiseres toegelicht dat hij bezig is met het openen van een tweede restaurant. Daarnaast heeft hij toegelicht dat zijn inkomen toereikend voor het onderhoud van het gezin en is vanuit het gezin regelmatig geld gestuurd naar eiseres. In het licht van deze feiten en omstandigheden is het standpunt van de minister dat zwaar in het nadeel van eiseres weegt dat eiseres en moeder geen zelfstandig inkomen hebben niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.
20. In navolging van de door eiseres ingeroepen uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2023is de rechtbank van oordeel dat eiseres terecht heeft aangevoerd dat de minister in de belangenafweging niet kenbaar heeft meegenomen dat de moeder en zus van eiseres in het bezit zijn is van een verblijfsrecht in de zin van het arrest Chavez-Vilchez en dat dit volgens eiseres een objectieve belemmering vormt om het gezinsleven met eiseres in Marokko uit te oefenen. De moeder van eiseres heeft, vanwege de afhankelijkheidsverhouding met haar Nederlandse kind [halfzus], een afgeleid verblijfsrecht om in Nederland te verblijven. Zij kan hierdoor volgens eiseres niet zonder meer terug naar Marokko om daar het gezinsleven met haar uit te oefenen. Dit betoog van eiseres is ten onrechte niet meegenomen in de belangenafweging. Het standpunt van de minister dat er geen objectieve belemmering is om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen is daarom niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.
21. De rechtbank komt tot de slotsom dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Het besluit is daardoor genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.