Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel familie en gezin. Dit beroep volgt op een eerdere uitspraak van de rechtbank van 9 juli 2025 waarin de minister werd opgedragen binnen twee weken te beslissen. De minister heeft deze termijn niet nageleefd.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder ingebrekestelling, omdat in de eerdere uitspraak een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn was gesteld. De minister voerde aan dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn wegens gebrek aan procesbelang, maar dit werd verworpen op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak.
De rechtbank stelt vast dat de minister nog steeds geen besluit heeft genomen en verklaart het beroep gegrond. Zij legt een nieuwe beslistermijn van twee weken op, beginnend na verzending van deze uitspraak. Tevens wordt een dwangsom van €250 per dag opgelegd voor elke dag overschrijding, met een maximum van €37.500. Daarnaast moet de minister het griffierecht en proceskosten van eiseres vergoeden, waarbij de proceskosten worden vastgesteld op €453,50 wegens inschakeling van een professionele hulpverlener.