ECLI:NL:RBDHA:2025:23045

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
22/5518
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoeken en verzoeken tot invordering door het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 25 november 2025, in de zaak met nummer 22/5518, gaat het om verzoeken van eiseres om handhaving tegen overtredingen op het perceel van de derde-partij en om invordering van eerder opgelegde dwangsommen. Eiseres, die aan de [adres 2] te [plaats] woont, heeft het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp verzocht om handhavend op te treden tegen de derde-partij, die op het perceel [adres 1] te [plaats] een paardenstal heeft gerealiseerd. Eiseres ervaart overlast van de activiteiten van de derde-partij en heeft eerder juridische procedures gevoerd over deze kwestie. Het college heeft de verzoeken van eiseres afgewezen, wat heeft geleid tot deze beroepsprocedure.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij haar verzoeken om handhaving, omdat de omgevingsvergunning van 23 november 2020 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is herroepen. Dit betekent dat er niet meer kan worden opgetreden tegen de door eiseres gestelde overtredingen van de voorschriften die aan deze omgevingsvergunning waren verbonden. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat het college terecht het verzoek om invordering van dwangsommen heeft afgewezen, omdat de derde-partij niet meer was gelast het toegangshek te verlagen. De rechtbank heeft het beroep van eiseres ongegrond verklaard, maar heeft het college wel veroordeeld in de proceskosten van eiseres, die zijn vastgesteld op € 1.360,50, en het griffierecht van € 184,- moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/5518

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.Y. Gans),
en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, het college

(gemachtigde: mr. A van Leeuwen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij 1] en [derde-partij 2]uit [woonplaats] (gemachtigde: mr. R.R.D.D. Speelman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over verzoeken van eiseres om handhaving tegen overtredingen op het perceel [adres 1] te [plaats] en over een verzoek van eiseres om invordering van een eerder opgelegde dwangsommen vanwege overtredingen op het perceel. Het college heeft de verzoeken afgewezen. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college terecht van handhaving en invordering heeft afgezien.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij haar verzoeken om handhaving. Het college heeft verder het verzoek om invordering van de eerder opgelegde dwangsommen kunnen afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 28 januari 2022 (primair besluit) heeft het college de verzoeken om handhaving en invordering van eiseres afgewezen. Met het besluit van 21 juli 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingediend tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghouder. Eiseres en haar gemachtigde zijn met bericht niet verschenen.

Voorgeschiedenis

3. Eiseres woont aan de [adres 2] te [plaats] . Op korte afstand van haar woning ligt het perceel van de derde-partij aan de [adres 1] te [plaats] (het perceel). De derde-partij houdt op dit perceel een aantal paarden en heeft daar een paardenstal gerealiseerd. Eiseres ervaart al enige jaren overlast van de paarden en de activiteiten die bij het houden van paarden horen. Partijen hebben hierover al verschillende juridische procedures gevoerd. De rechtbank geeft hieronder een overzicht van besluiten en uitspraken die tot de onderhavige procedure hebben geleid.
De last onder dwangsom van 22 oktober 2020
3.1.
Bij besluit van 22 oktober 2020 heeft het college de derde-partij een last onder dwangsom opgelegd naar aanleiding van een handhavingsverzoek van eiseres. Na heroverweging in bezwaar heeft het college in het besluit van 15 april 2021 de opgelegde last onder dwangsom herroepen en een gewijzigde last onder dwangsom opgelegd. De last hield in dat de derde-partij het gebruik van de paardenstal voor het houden van paarden, voor zover dat het hobbymatig houden van twee paarden overstijgt, moest beëindigen en beëindigd moest houden. Daarnaast hield de last in dat de derde-partij het gebruik van de gemeentegrond in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” (het bestemmingsplan) moest beëindigen en beëindigd moest houden en dat de derde-partij het daar aangelegde verharde pad moest verwijderen. Verder heeft het college in het besluit van 15 april 2021 de eerder nog opgelegde last tot verwijdering van het toegangshek herroepen.
De omgevingsvergunning van 23 november 2020
3.2.
Bij besluit van 23 november 2020 heeft het college de derde-partij een omgevingsvergunning verleend ter legalisering van de gebouwde paardenstal op het perceel in afwijking van het bestemmingsplan. Aan de omgevingsvergunning had het college voorwaarden verbonden, waaronder de voorwaarde dat gebruik gemaakt moest worden van een kleine, gesloten, mobiele mestcontainer, die regelmatig moest worden geleegd en die op voldoende afstand moest zijn gelegen van de omliggende woningen. Ook was aan de omgevingsvergunning de voorwaarde verbonden dat alleen eigen hobbymatige paarden in de stal mochten worden gestald. Na heroverweging in bezwaar heeft het college in het besluit van 15 april 2021 aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbonden dat het gebruik van de stal uitsluitend is toegestaan voor het hobbymatig stallen van paarden en voor maximaal twee paarden.
De uitspraken van de rechter
3.3.
De rechtbank Den Haag heeft op 2 november 2021 uitspraak gedaan in de beroepen tegen deze besluiten. [1] De rechtbank heeft in het kort overwogen dat het college de omgevingsvergunning voor de bouw van de paardenstal heeft kunnen verlenen met daaraan de voorwaarden dat de stal uitsluitend mag worden gebruikt voor het hobbymatig houden van maximaal twee paarden. Het hobbymatig houden van paarden op het perceel past binnen het bestemmingplan en hiervoor is volgens de uitspraak van de rechtbank geen omgevingsvergunning vereist. Het college heeft verder volgens de uitspraak handhavend kunnen optreden tegen het houden van meer dan twee paarden op het perceel, tegen het onrechtmatig gebruik van gemeentegrond en tegen het verharde pad, voor zover dit aanwezig is op gemeentegrond.
3.4.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 4 september 2024 uitspraak gedaan op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag. [2] De Afdeling heeft in het kort overwogen dat het college de verkeerde procedure heeft toegepast om de omgevingsvergunning van 23 november 2020 te verlenen. Verder staat in de uitspraak van de Afdeling dat het beoogde gebruik van de paardenstal in strijd is met het bestemmingsplan, zodat het college ook had moeten beoordelen of het gebruik van de paardenstal in afwijking van de gebruiksregels van het bestemmingsplan kon worden vergund. De Afdeling heeft daarom het besluit op bezwaar van 15 april 2021 vernietigd en het besluit van 23 november 2020 tot het verlenen van de omgevingsvergunning herroepen. In de uitspraak heeft de Afdeling verder geoordeeld dat aannemelijk is gemaakt dat het toegangshek hoger is dan 1 m en dat het college daarom niet goed heeft gemotiveerd waarom hiertegen niet handhavend wordt opgetreden. De last onder dwangsom vanwege het onrechtmatig gebruik van gemeentegrond en het verharde pad, voor zover dit aanwezig is op gemeentegrond, heeft de Afdeling in stand gelaten.

Onderhavig beroep (met nummer 22/5518)

De handhavingsverzoeken
4. In de onderhavige zaak gaat het over twee verzoeken van eiseres. In het eerste verzoek van 14 januari 2021 heeft eiseres het college gevraagd om handhavend op te treden tegen overtreding van het voorschrift dat was verbonden aan de omgevingsvergunning van 23 november 2020 dat er op het perceel van de derde-partij alleen eigen hobbymatige paarden mogen worden gestald. In het tweede verzoek van 27 december 2021 heeft eiseres het college gevraagd om navolging te geven aan de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 november 2021, in het bijzonder door handhavend op te treden tegen de volgende overtredingen:
- overtreding van het voorschrift aan de omgevingsvergunning van 23 november 2020 dat de stal uitsluitend mag worden gebruikt voor maximaal twee paarden;
- overtreding van het voorschrift aan de omgevingsvergunning van 23 november 2020 dat gebruik moet worden gemaakt van een gesloten mobiele mestcontainer;
- overtreding van het bestemmingsplan door de aanwezigheid van het toegangshek dat hoger is dan één meter.
Verder heeft eiseres gevraagd om invordering van een verbeurde dwangsom vanwege het toegangshek dat hoger is dan één meter en invordering van een verbeurde dwangsom vanwege het gebruik van de gemeentegrond ten behoeve van het laten leiden en grazen van de paarden van derde-partij.
Het standpunt van het college en de nieuwe besluiten
5. Het college heeft de verzoeken afgewezen op de grond dat er verschillende controles zijn uitgevoerd bij het perceel en dat er bij geen van de controles is geconstateerd dat er overtredingen plaatsvonden van de voorschriften die aan de omgevingsvergunning van 23 november 2020 waren verbonden. Het college heeft ook de verzoeken tot invordering van dwangsommen afgewezen.
5.1.
Het college heeft op 29 oktober 2024 een nieuw besluit genomen naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024. In die procedure is vast komen te staan dat het toegangshek op het perceel van de derde-partij hoger is dan één meter. Het college heeft de derde-partij daarom alsnog een last onder dwangsom opgelegd om dit toegangshek te verlagen tot de toegestane hoogte van één meter. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Een toezichthouder van de gemeente heeft bevestigd dat de derde-partij heeft voldaan aan de last door het hek terug te brengen naar een hoogte van één meter.
5.2.
Het college heeft verder bij besluit van 25 juni 2025 op verzoek van de derde-partij de last onder dwangsom van 22 oktober 2020 ingetrokken, omdat er de afgelopen jaren geen overtredingen zijn geconstateerd door het college.
5.3.
Het college heeft ten slotte op 9 oktober 2025 een nieuwe omgevingsvergunning verleend voor de bouw van de paardenstal en het gebruik van het perceel ten behoeve van paarden.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De verzoeken van eiseres zijn van vóór 1 januari 2024, zodat het oude recht van toepassing blijft.
Procesbelang
7. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiseres nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen de afwijzing van de verschillende handhavingsverzoeken en het verzoek om invordering van dwangsommen.
7.1.
Procesbelang is het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat de rechtszoekende concreet met het beroep wil of kan bereiken. Dit betreft niet de vraag of de rechtszoekende gelijk heeft. Het gaat erom dat de rechtszoekende een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat in de beroepsprocedure zou krijgen. De vraag of er procesbelang is, wordt daarom beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het beroep. [3]
Overtreding voorschriften omgevingsvergunning 23 november 2020
8. Eiseres heeft gevraagd om handhavend op te treden tegen niet naleving van de voorschriften uit de omgevingsvergunning van 23 november 2020 (zie overweging 4). Het besluit van tot het verlenen van deze omgevingsvergunning is echter door de Afdeling in de uitspraak van 4 september 2024 herroepen (zie overweging 3.4). Dit betekent dat deze omgevingsvergunning niet meer bestaat. Er kan daarom niet meer worden opgetreden tegen de door eiseres gestelde overtredingen van de voorschriften die aan deze omgevingsvergunning waren verbonden. Eiseres kan met deze beroepsprocedure daarom niet meer bereiken wat zij voor ogen had. Gelet hierop is het procesbelang van eiseres in zoverre komen te ontvallen. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke bespreking van de gronden van eiseres die gaan over de gestelde overtredingen van de vergunningvoorschriften.
Toegangshek
9. Eiseres heeft verder gevraagd om invordering van een door de derde-partij verbeurde dwangsom, omdat het toegangshek niet is teruggebracht naar de toegestane hoogte van één meter (zie overweging 4). De rechtbank stelt echter vast dat de last onder dwangsom van 22 oktober 2020 vanwege de beslissing op bezwaar van 15 april 2021 niet langer zag op de hoogte van het toegangshek (zie overweging 3.1). Dit betekent dat de derde-partij op het moment van het verzoek van eiseres niet was gelast het toegangshek te verlagen en dus geen sprake kan zijn van een verbeurde dwangsom op dit punt. Het college heeft het verzoek om invordering terecht afgewezen.
9.1.
De rechtbank overweegt verder dat, voor zover eiseres heeft verzocht om handhaving tegen de hoogte van het toegangshek, het college heeft erkend dat in het bestreden besluit ten onrechte het standpunt is ingenomen dat hiertegen niet handhavend hoeft te worden opgetreden. Het bestreden besluit is op dit punt daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Het college heeft echter in het besluit van 29 oktober 2024 alsnog een last onder dwangsom opgelegd tegen de hoogte van het toegangshek (zie overweging 5.1). Eiseres heeft daarom al bereikt wat zij wilde bereiken met haar beroep, zodat in zoverre geen sprake meer is van procesbelang. De rechtbank zal hetgeen eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van de hoogte van het toegangshek daarom niet inhoudelijk bespreken. Gelet op de geconstateerde onzorgvuldigheid in het bestreden besluit ziet de rechtbank wel aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van eiseres.
Gebruik gemeentegrond
10. De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het verzoek van eiseres om invordering van een verbeurde dwangsom vanwege het gebruik van gemeentegrond door de derde-partij, nog wel procesbelang bestaat. In de last onder dwangsom van 22 oktober 2020 is de derde-partij gelast het gebruik van gemeentegrond te beëindigen en beëindigd te houden (zie overweging 3.1). Deze last onder dwangsom is weliswaar ingetrokken bij besluit van 25 juni 2025 (zie overweging 5.2), maar ter zitting is toegelicht dat eiseres hiertegen bezwaar heeft gemaakt zodat het intrekkingsbesluit nog niet in rechte vaststaat. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de situatie dat vaststaat dat eiseres niet meer kan bereiken dat een eventuele verbeurde dwangsom vanwege het gebruik van de gemeentegrond wordt ingevorderd zich op dit moment nog niet voordoet.
10.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat de derde-partij op dit punt niet aan de last heeft voldaan omdat nog steeds sprake is van een overtreding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich echter op het standpunt kunnen stellen dat er bij de verschillende controles na oplegging van de last onder dwangsom geen overtreding meer is vastgesteld. In de verschillende constateringsrapporten van 22 juni 2021, januari 2022, 9 juni 2022 en januari 2023 staat dat niet is waargenomen dat de gemeentegrond door de derde-partij wordt gebruikt ten behoeve van het laten leiden en grazen van de paarden. Uit de foto’s die eiseres heeft overgelegd is weliswaar te zien dat er paarden op de gemeentegrond staan, maar niet dat dit is gedaan door de derde-partij. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de manage aan de andere kant van de Zuideindseweg ook gebruik maakt van de grond, zodat het goed mogelijk is dat de paarden op de foto’s van eiseres niet van de derde-partij zijn. Het college heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat geen sprake meer is van een overtreding en heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen dwangsom is verbeurd.
Overig
11. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat zij door het houden van paarden op het perceel stankoverlast en een inperking van haar privacy ervaart, overweegt de rechtbank dat eiseres in de verzoeken van 14 januari 2021 en 27 december 2021 niet heeft gevraagd om door middel van handhaving volledig een einde te maken aan het houden van paarden op het perceel van de derde-partij. Het college heeft bovendien op 9 oktober 2025 een nieuwe omgevingsvergunning verleend voor de bouw van de paardenstal en het gebruik van het perceel ten behoeve van paarden. Dit betekent dat het houden van paarden niet illegaal is en het college hiertegen niet handhavend kan optreden. Eiseres kan haar gronden omtrent stankoverlast en inperking van haar privacy aanvoeren in een procedure tegen de verleende omgevingsvergunning.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
12.1.
Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 9.1 dient het college de proceskosten van eiseres in beroep te vergoeden. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op een bedrag van € 1.360,50 (één punt voor het indienen van een beroepschrift en een half punt voor de schriftelijke reactie van 20 december 2024 met een waarde van 907,- per punt). De rechtbank ziet gelet daarop ook aanleiding om te bepalen dat het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 184,- moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college de proceskosten moet vergoeden tot een bedrag van €1.360,50;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1730 en van 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4812.