ECLI:NL:RBDHA:2025:23103

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
C/09/663973 / HA ZA 24-301
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van prioriteitsbesluit en deelbesluiten in vennootschapsrechtelijke geschil tussen moeder en zoon

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 november 2025 uitspraak gedaan in een civielrechtelijk geschil tussen een moeder, eiseres, en haar zoon, gedaagde 2, die als prioriteitsaandeelhouder in het kapitaal van een besloten vennootschap (B.V.) de titel van zelfstandig bevoegd algemeen bestuurder van eiseres heeft ontnomen. De rechtbank oordeelt dat het prioriteitsbesluit van gedaagde 2 niet voldoet aan de gedragsnorm van artikel 2:8 BW, wat leidt tot de vernietiging van dit besluit. De rechtbank stelt vast dat eiseres, die afhankelijk is van een uitkering uit het vermogen van de B.V., en gedaagde 2, als moeder en zoon, een bijzondere familierechtelijke relatie hebben die de besluitvorming beïnvloedt. Het besluit van gedaagde 2 om de uitvoering van een eerder vonnis te blokkeren, wordt eveneens vernietigd, omdat het bestuur niet in redelijkheid tot deze beslissing had kunnen komen. De rechtbank vernietigt ook twee van de drie deelbesluiten van het bestuur van de B.V., terwijl Deelbesluit 1 en Deelbesluit 3 in stand blijven. De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres tot verklaring voor recht af, omdat zij onvoldoende belang heeft bij deze verklaring na de vernietiging van de litigieuze besluiten. De proceskosten worden toegewezen aan gedaagde 2 in privé, die als de in het ongelijk gestelde partij wordt aangemerkt. De rechtbank verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/663973 / HA ZA 24-301
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats 1] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. R. Beele,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V. te [plaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 1] B.V.,
advocaat: mr. D.J.M. Lange,

2.[gedaagde 2] te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. J. de Vries (voorheen mr. J.P. Sars),
gedaagden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 december 2024 en het herstelvonnis van 22 januari 2025 (hierna: gezamenlijk: het tussenvonnis);
- de beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 3 april 2025 (zaaknummer C/09/679608 / HA RK 25-50);
- de akte houdende wijziging van eis en de brief van 4 september 2025, met de producties 13 tot en met 20, namens [eiseres] ;
- de conclusie van antwoord, met de producties 1 tot en met 9, namens [gedaagde 1] B.V.;
- de brief van mr. Beele van 9 oktober 2025.
1.2.
[gedaagde 2] heeft uitdrukkelijk slechts verweer gevoerd in zijn privé hoedanigheid en niet (mede) als bestuurder van [gedaagde 1] B.V. Om die reden en gelet op het bepaalde in artikel 2:15 lid 4 BW heeft de rechtbank [gedaagde 1] B.V. in de gelegenheid gesteld de voorzieningenrechter te verzoeken iemand aan te wijzen die ter zake van het geding in de plaats van het bestuur treedt. Bij beschikking van 3 april 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [gedaagde 2] aangewezen als vertegenwoordiger van [gedaagde 1] B.V. in de bodemprocedure, waarna de vennootschap (alsnog) verweer heeft gevoerd.
1.3.
Op 19 september 2025 heeft de voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren de in deze procedure verschenen partijen en hun advocaten aanwezig, afgezien van de advocaat van [gedaagde 2] in privé. [gedaagde 2] was uitsluitend aanwezig namens [gedaagde 1] B.V., de vennootschap in deze bodemprocedure. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Aansluitend is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
[eiseres] vordert, na wijziging van eis, - samengevat - dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat [gedaagde 2] als prioriteitsaandeelhouder in het kapitaal van [gedaagde 1] B.V. misbruik (de rechtbank begrijpt: van recht) heeft gemaakt, althans in strijd heeft gehandeld met de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, teneinde aan zijn verplichtingen jegens [gedaagde 1] B.V. uit hoofde van het vonnis van 11 januari 2023 te ontkomen (hierna: “het vonnis”);
vernietigt:
I. het besluit van de vergadering van houders van prioriteitsaandelen in het kapitaal van [gedaagde 1] B.V. van 23 maart 2023 (hierna: “het prioriteitsbesluit”);
II. de drie deelbesluiten (Deelbesluit 1, 2 en 3) van het bestuur van [gedaagde 1] B.V. van 3 april 2023 (hierna: “de deelbesluiten”);
[gedaagde 2] veroordeelt in de proceskosten, althans – nadat de besluiten zijn vernietigd – de proceskosten niet ten laste te laten komen van [gedaagde 1] B.V. maar ten laste van [gedaagde 2] .
2.2.
[gedaagde 1] B.V. concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De verdere beoordeling

3.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank ten aanzien van de vordering onder A voor zover ingesteld tegen [gedaagde 2] reeds beslist dat deze vordering zal worden afgewezen. De rechtbank ziet in hetgeen na het tussenvonnis naar voren is gebracht geen aanleiding om van die beslissing terug te komen.
3.2.
Bij de verdere beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. [gedaagde 2] is prioriteitsaandeelhouder in het kapitaal van [gedaagde 1] B.V. Weliswaar heeft [eiseres] aan haar vorderingen mede ten grondslag gelegd dat [gedaagde 2] als prioriteitsaandeelhouder misbruik van recht heeft gemaakt om aan zijn verplichtingen als privédebiteur jegens [gedaagde 1] B.V. uit hoofde van het vonnis te ontkomen, maar zij heeft daar geen zelfstandig rechtsgevolg aan verbonden. In deze procedure ligt ook niet de vraag voor of de hoedanigheid van [gedaagde 2] als enig prioriteitsaandeelhouder kan of moet worden gewijzigd.
3.3.
De vraag die wel voorligt is of [eiseres] met het prioriteitsbesluit ten onrechte de titel van zelfstandig bevoegd algemeen bestuurder is ontnomen, en of [gedaagde 2] met de deelbesluiten op onrechtmatige wijze uitvoering van het vonnis van 11 januari 2023 (hierna: het vonnis, zie 2.6 van het tussenvonnis) heeft tegengehouden.
3.4.
[gedaagde 1] B.V. voert - samengevat - als verweer dat [gedaagde 2] als prioriteitsaandeelhouder bij het nemen van het prioriteitsbesluit niet in strijd heeft gehandeld met de norm van artikel 2:8 BW, en dat hij als bestuurder geen tegenstrijdig belang heeft bij de deelbesluiten. Volgens [gedaagde 1] B.V. hebben het prioriteitsbesluit en de deelbesluiten uitsluitend als doel om de bestaande impasse tussen partijen over het doel en de koers van [gedaagde 1] B.V. te doorbreken, en om de administratie van de vennootschap op orde te krijgen. [gedaagde 1] B.V. voert verder aan dat zij in december 2023 heeft getracht tot een vaststellingsovereenkomst met [gedaagde 2] te komen (hierna: de “conceptvaststellingsovereenkomst”), waarbij [gedaagde 2] volledig zou voldoen aan de vorderingen uit het vonnis, hij een notariële schuldbekentenis zou ondertekenen als zekerheidsstelling zodat het conservatoir beslag door [eiseres] op [landgoed] kon worden opgeheven, en de volledige zeggenschap over de vennootschap terug zou gaan naar [eiseres] . Volgens [gedaagde 1] B.V. hebben het prioriteitsbesluit en de deelbesluiten primair haar belang gediend, waarbij de nodige zorgvuldigheid in acht is genomen en de belangen van [eiseres] niet zijn geschaad. Daarmee ontbreekt volgens [gedaagde 1] B.V. de grondslag voor vernietiging van deze besluiten.
Juridisch kader toetsing (bestuurs)besluiten
3.5.
Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Deze gedragsnorm wordt ingevuld door de omstandigheden van het geval. Daartoe behoren ook familierechtelijke verhoudingen tussen de betrokken personen, waarbij eerder sprake kan zijn van een ontoelaatbare verstrengeling van belangen. [1]
3.6.
Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 onder b BW als het besluit naar inhoud of wijze van totstandkoming in strijd is met de gedragsnorm van artikel 2:8 BW. De toetsingsmaatstaf is of het orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. De rechter past terughoudendheid bij de beoordeling daarvan. [2] Verstrengeling of verwevenheid van belangen dwingt tot een hoge(re) mate van zorgvuldigheid bij het nemen van besluiten.
3.7.
Over de besluitvorming door het bestuur van een besloten vennootschap bepaalt artikel 2:239 BW dat bestuurders zich bij de vervulling van hun taak richten naar het belang van de vennootschap (lid 5), en dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap (lid 6). Voor het aannemen van tegenstrijdige belangen is voldoende dat de betrokken bestuurders te maken hebben met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of zij zich bij hun handelen uitsluitend laten leiden door het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. [3] Een besluit van het bestuur van een vennootschap dat in strijd met artikel 2:239 lid 6 BW tot stand is gekomen, is vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 onder a BW wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen.
Prioriteitsbesluit voldoet niet aan gedragsnorm van artikel 2:8 BW
3.8.
De rechtbank is van oordeel dat het prioriteitsbesluit niet voldoet aan de gedragsnorm van artikel 2:8 BW, zodat het besluit moet worden vernietigd. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
3.9.
[gedaagde 2] heeft op grond van de statuten van [gedaagde 1] B.V. als prioriteitsaandeelhouder vergaande bevoegdheden en kan strikt genomen bij een impasse binnen het bestuur de besluitvorming doordrukken. In dit geval echter ziet het prioriteitsbesluit niet op een bestuurlijke impasse – op een verschil van mening tussen de bestuursleden over de koers van [gedaagde 1] B.V. zoals [gedaagde 2] aanvoert – maar op de vraag of [gedaagde 2] in privé moet voldoen aan het vonnis waarbij hij is veroordeeld om een lening aan [gedaagde 1] B.V. terug te betalen.
3.10.
Met het prioriteitsbesluit heeft [gedaagde 2] de bevoegdheden om over de tenuitvoerlegging van het vonnis beslissingen te nemen, volledig en ongeclausuleerd naar zich toe getrokken. Hoewel [gedaagde 1] B.V. in deze procedure aanvoert dat een vaststellingsovereenkomst met [gedaagde 2] in privé een stap is richting een oplossing om definitief uit de bestuurlijke impasse te komen, is daarover niets in het prioriteitsbesluit opgenomen. De bevoegdheden van [gedaagde 2] zijn ook niet beperkt tot de oplossingsrichting van de conceptvaststellingsovereenkomst, zodat hij niet op grond van het bestreden besluit gehouden is om te handelen in overeenstemming met die richting die hij nu als rechtvaardiging aanvoert.
3.11.
De kennelijk beoogde oplossingsrichting blijkt ook niet uit het optreden van [gedaagde 2] direct na het prioriteitsbesluit. Hoewel [gedaagde 1] B.V. betoogt dat de conceptvaststellingsovereenkomst als uitgangspunt heeft dat [gedaagde 2] in privé zijn vorderingen aan [gedaagde 1] B.V. voldoet conform het vonnis, heeft [gedaagde 2] daarnaar niet gehandeld. [gedaagde 2] heeft als (enig) zelfstandig bestuurder de advocaten van [gedaagde 1] B.V. vervangen, de nieuw aangestelde advocaat namens de vennootschap hoger beroep laten instellen tegen het vonnis, en de deurwaarder die bezig was met de executie van het vonnis tegen [gedaagde 2] in privé opgedragen die executiemaatregelen te staken.
3.12.
Gezien het statutaire doel van [gedaagde 1] B.V. – waaronder het doen van uitkeringen aan [eiseres] in het kader van haar oudedagsvoorziening – moet als uitgangspunt worden aangenomen dat het in het belang is van [gedaagde 1] B.V. dat aan het vonnis wordt voldaan dan wel dat het ten uitvoer wordt gelegd. [gedaagde 1] B.V. heeft onvoldoende onderbouwd waarom het niet executeren van het vonnis en het instellen van hoger beroep daartegen, in haar belang zou zijn. De enige belanghebbende bij het staken van de executiemaatregelen is [gedaagde 2] in privé als schuldenaar van [gedaagde 1] B.V. Slotsom is dat het prioriteitsbesluit (op zijn minst: voornamelijk) gericht was op het beschermen van het privébelang van [gedaagde 2] , en dat als gevolg daarvan de rechtmatige belangen van [gedaagde 1] B.V. zijn geschaad.
3.13.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 2] in zijn hoedanigheid van enig prioriteitsaandeelhouder bij het nemen van het prioriteitsbesluit zich zowel tegenover [eiseres] in haar hoedanigheid van medebestuurder en (enig) aandeelhouder, als tegenover [gedaagde 1] B.V., niet heeft gedragen naar wat de redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden eisen. Hierbij is van belang dat gelet op de verwevenheid van de belangen van [gedaagde 2] als prioriteitsaandeelhouder en schuldenaar van [gedaagde 1] B.V., een hoge mate van zorgvuldigheid wordt verlangd bij de besluitvorming door hem als enig prioriteitsaandeelhouder. Verder is van belang dat door de familierechtelijke verhoudingen tussen moeder en zoon [gedaagde 2] , waarbij beiden zelfstandig bevoegd bestuurders van [gedaagde 1] B.V. waren en moeder voor haar levensonderhoud afhankelijk is van een uitkering uit het vermogen van de [gedaagde 1] B.V., eerder sprake is van een ontoelaatbare verstrengeling van belangen.
3.14.
De rechtbank zal het prioriteitsbesluit vernietigen zodat de zeggenschap binnen [gedaagde 1] B.V. terugkeert naar de verhoudingen van voor 23 maart 2023.
Twee van de drie deelbesluiten zijn geldig
3.15.
De rechtbank is van oordeel dat Deelbesluit 1 en Deelbesluit 3 van de bestuursvergadering van [gedaagde 1] B.V. van 3 april 2023 niet vernietigd hoeven te worden. Deelbesluit 2 voldoet niet aan de gedragsnorm van artikel 2:8 BW zodat het moet worden vernietigd. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
3.16.
Gesteld noch gebleken is dat de vernietiging van het prioriteitsbesluit met zich brengt dat de Deelbesluiten, met terugwerkende kracht, formeel niet rechtsgeldig zijn genomen. De rechtbank zal de Deelbesluiten daarom toetsen aan art. 2:8 BW en de regeling omtrent tegenstrijdig belang.
3.17.
Het besluit (Deelbesluit 1) om de aan Beele Advocatuur en Van der Hoeden Advocatuur verstrekte opdracht om [gedaagde 1] B.V. in de bodemprocedure bij te staan te beëindigen, is een besluit dat valt binnen de beleidsvrijheid van het bestuur van de vennootschap. Aangezien mr. Beele ook [eiseres] bijstaat in de bodemprocedure ligt het – gezien het geschil tussen de twee bestuurders van de vennootschap – voor de hand dat een andere advocaat [gedaagde 1] B.V. in de procedure vertegenwoordigt. [eiseres] heeft in dat licht niet voldoende onderbouwd dat dit besluit in strijd is met de gedragsnorm van artikel 2:8 BW, en evenmin dat sprake is van een tegenstrijdig belang aan de zijde van [gedaagde 2] . Niet gebleken is dat door de keuze van [gedaagde 1] B.V. voor een andere advocaat dan Beele Advocatuur en Van der Hoeden, een ontoelaatbare verstrengeling van belangen ontstaat tussen de van [gedaagde 2] als bestuurder en [gedaagde 2] als schuldenaar van de [gedaagde 1] B.V. Deelbesluit 1 kan daarom in stand blijven.
3.18.
Het besluit (Deelbesluit 2) om Köster Advocaten aan te stellen als advocaat van [gedaagde 1] B.V., is dusdanig verweven met de vernietiging van het prioriteitsbesluit, dat dit besluit naar het oordeel van de rechtbank niet in stand kan blijven. Gelet op (eerdere) advisering van Köster Advocaten aan mr. Sars als toenmalig advocaat van [gedaagde 2] in privé, geldt dat het bestuur bij alle in aanmerking komende belangen niet in redelijkheid tot deze beslissing had kunnen komen. Daarmee wordt aan de beoordeling van tegenstrijdig belang niet meer toegekomen. Met inachtneming van de (herstelde) verhoudingen zoals die door de vernietiging van het prioriteitsbesluit ontstaan, zal [gedaagde 1] B.V. opnieuw een besluit moeten nemen over het aanstellen van een advocaat die ter zake van het geding de belangen van [gedaagde 1] B.V. vertegenwoordigt.
3.19.
Het besluit (Deelbesluit 3) om onderzoek te doen naar de financiële situatie van [gedaagde 1] B.V., de herkomst van vermogen en de huidige rechten en verplichtingen van [gedaagde 1] B.V., is eveneens een besluit dat valt binnen de beleidsvrijheid van het bestuur van de vennootschap, zodat dit besluit in stand kan blijven. Niet gesteld of gebleken is dat dit besluit in strijd is met de gedragsnorm van artikel 2:8 BW, en evenmin dat sprake is van een persoonlijk belang van [gedaagde 2] bij het onderzoek. [eiseres] heeft onvoldoende onderbouwd dat het beoogde doel van Deelbesluit 3 om de administratie van [gedaagde 1] B.V. op orde te krijgen, in strijd zou zijn met het belang van de vennootschap. Deelbesluit 3 kan daarom ook in stand blijven.
Onvoldoende belang voor verklaring voor recht
3.20.
Nu de rechtbank een deel van de (litigieuze) besluiten heeft vernietigd (mede) op grond van het oordeel dat deze besluiten niet aan de gedragsnorm van artikel 2:8 BW voldoen, heeft [eiseres] onvoldoende belang bij de met vordering A gevraagde verklaring voor recht. De rechtbank zal deze vordering tot het verkrijgen van deze verklaring voor recht afwijzen.

4.Proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad

4.1.
In de procedure tussen [eiseres] en [gedaagde 2] (in privé) zal [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van [gedaagde 2] op:
  • griffierecht € 320,00
  • salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten à € 614 volgens tarief II)
  • nakosten
Totaal € 1.726,00
De gevorderde rente over de (na)kosten wordt toegewezen als hierna vermeld.
4.2.
In de procedure tussen [eiseres] en [gedaagde 1] B.V. is de vennootschap aan te merken als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij. In lijn met de beschikking van 3 april 2025, waarin de voorzieningenrechter overweegt dat het onredelijk is dat [gedaagde 2] kan procederen op kosten van de rechtspersoon ter verdediging van door hem genomen besluiten die vernietigd worden, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 2] in privé draagplichtig is voor deze kosten zodat hij zal worden veroordeeld in de proceskosten van [eiseres] . De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van [eiseres] op:
  • dagvaarding € 112,37
  • griffierecht € 320,00
  • salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten à € 614 volgens tarief II)
  • nakosten
Totaal € 1.838,37
De gevorderde rente over de (na)kosten wordt toegewezen als hierna vermeld.
4.3.
[eiseres] heeft verzocht de beslissingen zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Omdat de gewraakte besluiten in kort geding door het gerechtshof zijn geschorst totdat op de vernietigingsvorderingen
in hoogste ressortis beslist, ziet de rechtbank geen aanleiding de vernietiging van het prioriteitsbesluit en Deelbesluit 2 uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De proceskostenveroordelingen zullen wel uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
vernietigt het prioriteitsbesluit van 23 maart 2023;
5.2.
vernietigt Deelbesluit 2 van het bestuur van [gedaagde 1] B.V. van 3 april 2023;
5.3.
veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure tussen haar en [gedaagde 2] in privé, aan de zijde van [gedaagde 2] begroot op € 1.726,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, moet [eiseres] € 92 extra betalen, plus de kosten van de betekening, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
veroordeelt [gedaagde 2] in privé in de kosten van de procedure tussen [eiseres] en [gedaagde 1] B.V., aan de zijde van [eiseres] begroot op
€ 1.838,37 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde 2] niet tijdig betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, moet [gedaagde 2] € 92 extra betalen, plus de kosten van de betekening, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.5.
verklaart de beslissingen onder 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.
Type: 3593

Voetnoten

1.HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857, r.o. 3.4.
2.HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, r.o. 3.4.3.
3.HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4887, r.o. 4.3; zie ook HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, r.o. 3.7.