Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:2327

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2025
Publicatiedatum
19 februari 2025
Zaaknummer
NL25.688 en NL25.689
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c VwArt. 66a VwArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buitenbehandelingstelling asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming ongegrond verklaard

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 18 maart 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie stelde deze aanvraag op 7 januari 2025 buiten behandeling omdat eiser op 16 december 2024 met onbekende bestemming was vertrokken, waarbij ook een terugkeerbesluit uit 2015 werd gehandhaafd en een inreisverbod van twee jaar werd opgelegd.

Eiser betwistte de buitenbehandelingstelling en stelde dat hij niet met onbekende bestemming was vertrokken, maar op bezoek was bij familie in Nederland, geen geld had om terug te keren, en wel contact had gehouden met zijn gemachtigde en het COA. De rechtbank stelde vast dat eiser wel contact hield met zijn gemachtigde, wat het procesbelang bevestigt.

De rechtbank oordeelde echter dat het vertrek met onbekende bestemming rechtvaardigt dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld. Eiser had niet voldaan aan zijn verplichting om zich te melden bij het COA, ook niet na oproepen daartoe. De stelling dat hij geen geld had om terug te keren, ontsloeg hem niet van deze verplichting. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod werden terecht gehandhaafd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werden geen proceskosten toegekend. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter M. Garabitian.

Uitkomst: Het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.688 en NL25.689
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M. Erik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Hij heeft op 18 maart 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 7 januari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure buiten behandeling gesteld.
2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1976. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld, omdat eiser is verdwenen zonder hiervoor een reden op te geven. [2] Uit informatie van het COA [3] blijkt dat eiser op 16 december 2024 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Verweerder heeft daarbij het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit van 20 januari 2015 gehandhaafd. Ook heeft verweerder aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft de aanvraag van eiser ten onrechte buiten behandeling gesteld. Eiser is namelijk niet vertrokken met onbekende bestemming. Hij is op bezoek geweest bij zijn familie in Nederland en had geen geld om terug te keren. Hij is altijd in contact geweest met zijn gemachtigde en heeft na 16 december 2024 ook contact gehad met het COA. Ook zal hij zich opnieuw melden in Ter Apel. Verweerder is hier ten onrechte aan voorbij gegaan en dient bij de vaststelling of sprake is van vertrek met onbekende bestemming waarde te hechten aan de mededeling van de gemachtigde dat er sprake is van contact. [4] Verder heeft verweerder ten onrechte een inreisverbod opgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep, nu eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat er in dat geval in beginsel vanuit gegaan mag worden dat de vreemdeling niet langer prijs stelt op de door hem gezochte bescherming. [5] Dat is alleen anders als een vreemdeling laat weten nog contact te onderhouden met zijn gemachtigde. Het is de rechtbank gebleken dat eiser nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde en dat zijn gemachtigde weet waar hij verblijft. De rechtbank neemt daarom procesbelang aan.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers aanvraag buiten behandeling kunnen stellen. Eiser is immers vertrokken uit de opvang en staat sindsdien geregistreerd als met onbekende bestemming vertrokken. De stelling dat eiser geen geld had om terug te keren, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser niet aan zijn verplichting om te verschijnen/zich te melden heeft moeten of kunnen voldoen. Verweerder heeft er in dit kader op kunnen wijzen dat van eiser mag worden verwacht dat hij in dat geval het COA direct informeert. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan. Verder is niet gebleken dat eiser zich binnen twee weken heeft gemeld bij de autoriteiten, ook niet nadat verweerder hem in het voornemen heeft opgeroepen zich binnen twee weken te melden bij het COA in Ter Apel. Ook is niet gebleken dat eiser zich sindsdien heeft gemeld.
7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het eerder aan eiser opgelegde terugkeerbesluit mogen handhaven en een inreisverbod voor de duur van twee jaar mogen uitvaardigen. [6]

Conclusie en gevolgen

8. Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling kunnen stellen. Het beroep is daarom ongegrond.
9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Centraal Orgaan opvang asielzoekers
4.Onder verwijzing naar de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg van 23 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13554 en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5281 (de Afdeling).
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
6.Op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vw.