ECLI:NL:RBDHA:2025:23278
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning kennismigrant wegens niet-erkend referentschap is evenredig
Eiseres, een Servische kennismigrant, kreeg een verblijfsvergunning onder de beperking arbeid als kennismigrant bij een erkend referent. Na beëindiging van haar dienstverband bij erkende referenten trad zij in dienst bij een werkgever die destijds geen erkend referent was. De minister trok daarop haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in voor de periode dat zij bij deze niet-erkende referent werkte.
Eiseres voerde aan dat de intrekking in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, mede omdat haar werkgever later erkend referent werd en er geen sprake was van frauduleus handelen. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht vasthield aan de vereiste van erkend referentschap en dat de intrekking geschikt, noodzakelijk en evenwichtig was om de onrechtmatige situatie te herstellen.
De rechtbank erkende de nadelige gevolgen voor eiseres, zoals het ontstaan van een verblijfsgat en het langer moeten opbouwen van rechtmatig verblijf, maar vond deze gevolgen niet onevenredig in verhouding tot het doel van de maatregel. Ook waren er geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van de beleidsregels rechtvaardigden.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat eiseres onvoldoende vergelijkbare gevallen aanvoerde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het griffierecht en proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht.