ECLI:NL:RBDHA:2025:23278

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
NL25.572
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning van een kennismigrant met terugwerkende kracht

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres, een Servische nationaliteit, die werkzaam was als kennismigrant. De minister van Asiel en Migratie heeft de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken voor de periode van 1 november 2022 tot 23 januari 2024, omdat eiseres niet langer voldeed aan de voorwaarden waaronder de vergunning was verleend. Eiseres was in dienst bij een niet erkend referent op het moment van intrekking, wat leidde tot een verblijfsgat. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht heeft gehandeld en dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel. Eiseres heeft aangevoerd dat de intrekking onevenredig is, maar de rechtbank oordeelt dat de nadelige gevolgen voor eiseres niet onevenwichtig zijn in verhouding tot de doelen van de intrekking. De rechtbank heeft het beroep van eiseres ongegrond verklaard, wat betekent dat zij geen gelijk krijgt en geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.572
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. G.H.A. van den Heuvel),
en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: J.L.A.F. van Halteren).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de intrekking met terugwerkende kracht van de reguliere verblijfsvergunning van eiseres over de periode van 1 november 2022 tot 23 januari 2024. Eiseres is het niet eens met de intrekking van haar verblijfsvergunning. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de verblijfsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de verblijfsvergunning van eiseres over de periode van 1 november 2022 tot 23 januari 2024 mocht intrekken. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding en procesverloop

3. Eiseres heeft de Servische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1993. Aan eiseres is op 24 juni 2020 een vergunning verleend onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ op grond van haar dienstverband bij erkend referent [onderneming1] BV. Deze vergunning was geldig van 12 juni 2019 tot 31 juli 2025.
4. Op 1 november 2021 heeft [onderneming1] BV aan de minister gemeld dat eiseres met de ingang van 1 juli 2021 niet meer werkzaam is bij deze werkgever.
5. Op 21 juni 2021 heeft erkend referent [onderneming2] BV aan de minister gemeld dat eiseres met de ingang van 1 juli 2021 in dienst zou treden bij deze werkgever.
6. Op 29 september 2022 heeft [onderneming2] BV aan de minister gemeld dat eiseres met de ingang van 1 november 2022 niet meer werkzaam is bij deze werkgever. Van 1 november 2022 tot 23 februari 2023 had eiseres recht op een zoekperiode, vanwege de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst.
7. Op 1 november 2022 is eiseres in dienst getreden bij [onderneming3] BV. Ten tijde van de indiensttreding was [onderneming3] BV ( [onderneming3] ) geen erkend referent. Sinds 23 januari 2024 is [onderneming3] wél erkend referent.
8. De minister heeft op 17 november 2023 eiseres geïnformeerd dat hij voornemens is om haar verblijfsvergunning in te trekken, omdat eiseres niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. Eiseres heeft met haar e-mail van 23 november 2023 en de zienswijze van 29 november 2023 op het voornemen gereageerd en aangegeven dat zij per 1 november 2022 in dienst is getreden bij [onderneming3] .
9. Bij besluit van 6 mei 2024 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiseres met terugwerkende kracht ingetrokken voor de periode van 1 november 2022 tot 23 januari 2024 omdat eiseres in deze periode niet voldeed aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 13 december 2024 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
10. De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het juridische kader
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘kennis als arbeidsmigrant’
11. Op grond van artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang gelezen met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f van de Vw, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien niet (langer) wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.
12. In paragraaf B1/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft de minister invulling gegeven aan deze discretionaire bevoegdheid door te bepalen dat de verblijfsvergunning regulier wordt ingetrokken met ingang van de datum waarom niet (meer) werd voldaan aan de voorwaarden.
Punten van geschil
13. Niet in geschil is dat eiseres vanaf 1 november 2022 niet meer voldoet aan de voorwaarden tot verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ op grond van een dienstverband bij erkend referent. Het geschil beperkt zich tot het standpunt dat de intrekking strijdig is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
Het evenredigheidsbeginsel
14. In het nationale recht is het evenredigheidsbeginsel neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel nader uitgewerkt. Hierin heeft zij het beoordelingskader uiteengezet in zaken waarin het bestreden besluit berust op een discretionaire bevoegdheid die is ingevuld met beleidsregels, zoals ook hier het geval is. Als daarvoor aanleiding is, toetst de bestuursrechter (1) of het besluit geschikt is het doel te bereiken, (2) of het een noodzakelijke maatregel is of dat met een minder vergaande maatregel kon worden volstaan en (3) of de maatregel in het concrete geval evenwichtig is.
15. De Afdeling overweegt in de bovenstaande uitspraak, in rechtsoverweging 7.11, het volgende :
“Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb geldt ook voor beleidsregels, Als de (on)evenredigheid van het bestreden besluit tussen partijen in geschil is en dat besluit in zoverre (mede) op een beleidsregel berust, dan toetst de bestuursrechter, al dan niet uitdrukkelijk, ook de evenredigheid van de beleidsregel. Als de beleidsregel zelf niet onrechtmatig is, toets de bestuursrechter het bestreden besluit aan de norm van artikel 4:84 (slot) van de Awb (“tenzij dat in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen”). Daarbij gelden dezelfde maatstaven als bij toetsing van een besluit (rechtstreeks) aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Onder ‘bijzondere omstandigheden’ in artikel 4:84 worden zowel niet in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden als reeds in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden begrepen. Als sprake is van strijd met artikel 4:84 (slot) van de Awb, wordt het bestreden besluit wegens schending van die bepaling vernietigd.”
Wat voert eiseres aan
16. Eiseres voert aan dat de intrekking van de verblijfsvergunning in strijd is met artikel 3:4 van de Awb en artikel 4:84 van de Awb, het evenredigheidsbeginsel, om verschillende redenen in samenhang bezien. Eiseres heeft sinds 1 november 2022 altijd qua arbeidsvoorwaarden voldaan aan de beperking van de vergunning. Daarnaast heeft [onderneming3] inmiddels de status van erkend referent en voldoet zij sinds januari 2024 aan de voorwaarden om een kennismigrant in dienst te mogen nemen. Eiseres en [onderneming3] hebben niet frauduleus gehandeld. [onderneming3] heeft simpelweg door onervarenheid met de kennismigrantenregeling een verkeerd aanmeldformulier ingediend. [onderneming3] heeft het aanmeldformulier verzonden op 14 oktober 2022. De minister had al in oktober 2022 kunnen handelen door de status van [onderneming3] te verifiëren. De minister heeft dit niet gedaan en heeft pas ruim een jaar na de aanmelding van eiseres voor het eerst geacteerd. Door dit lange tijdsverloop wordt eiseres onevenredig benadeeld in verhouding tot het te dienen belang. Hierbij verwijst eiseres naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:22198, waarin is geoordeeld dat wanneer een lange periode verloopt tussen het moment waarop de minister weet dat de kennismigrant niet langer aan de voorwaarden voor de vergunning voldoet en het moment dat de minister handelt om in te trekken, een intrekking in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
17. Uit rechtspraak van de Afdeling (waaronder de uitspraak van 6 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2285) volgt dat intrekking met terugwerkende kracht van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ bij een niet erkend referent in beginsel evenredig is, omdat een juiste toepassing van de kennismigrantenregeling een legitiem belang is. De Afdeling heeft in een uitspraak van 30 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3294, geoordeeld dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet modern migratiebeleid volgt dat de koppeling tussen de referentstelling en de verblijfsvergunning van een vreemdeling die verblijf beoogt als kennismigrant, bewust is aangebracht om te voorkomen dat een werkgever, zonder zich referent te stellen, toch het gewenste verblijf van de desbetreffende vreemdeling kan bewerkstelligen. Dat geen sprake was van frauduleuze intenties, betekent niet dat de minister in dit geval niet mocht vasthouden aan de vereiste van referentstelling. De stelling dat zij behoudens het vereiste dat haar werkgever erkend referent was wel voldeed aan alle overige voorwaarden voor verblijf als kennismigrant en dat [onderneming3] vanaf januari 2024 wel de status van erkend referent heeft, betekent niet dat een intrekking van de verblijfsvergunning onevenredig is. De minister werpt in dit verband terecht op dat het van groot belang is dat vóόraf wordt bekeken of een werkgever voldoet aan de voorwaarden voor het erkend referentschap, en zich daarmee committeert aan de daaraan gekoppelde verplichtingen. In het geval van eiseres geval heeft deze toets niet plaatsgevonden, omdat [onderneming3] destijds geen referent was. Dat [onderneming3] later wél referent is geworden, maakt geen verschil. De minister heeft immers niet kunnen toetsen of [onderneming3] , op het moment dat eiseres daar in dienst trad per 1 november 2022, voldeed aan de voorwaarden voor het erkend referentschap. De minister heeft daarom terecht geconcludeerd dat de intrekking geschikt en noodzakelijk is om de onrechtmatige situatie te herstellen en, dat er geen lichtere middelen zijn om rechtsherstel te bereiken.
18. Tegenover het legitieme belang van de minister staan de belangen van eiseres. Bij het beoordelen van deze evenwichtigheid van het besluit kijkt de rechtbank naar de gevolgen van het besluit.
19. De rechtbank stelt voorop dat zij erkent dat het bestreden besluit nadelige gevolgen voor eiseres heeft. Door de intrekking van de verblijfsvergunning is een verblijfsgat ontstaan, waardoor de door eiseres opgebouwde jaren aan rechtmatig verblijf zijn weggevallen. Hierdoor duurt het voor eiseres langer om in aanmerking te komen voor verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of naturalisatie, omdat hiervoor is vereist dat iemand langer dan vijf jaar rechtmatig- en aaneensluitend verblijf heeft opgebouwd. Naar oordeel van de rechtbank zijn de voor eiseres nadelige gevolgen echter niet onevenwichtig in verhouding met de door de intrekking beoogde doelen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres in de periode van 1 november 2022 tot 23 januari 2023 in Nederland heeft verbleven en haar baan (en inkomsten) geen moment heeft verloren. Daarnaast is eiseres opnieuw in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning, waardoor zij haar werkzaamheden bij [onderneming3] en haar verblijf in Nederland kan voortzetten. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat eiseres in de toekomst niet alsnog in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en voor een naturalisatieprocedure.
20. Gezien hetgeen overwogen onder 19, is de maatregel van het intrekken van de verblijfsvergunning in de periode van 1 november 2022 tot 23 januari 2023 evenwichtig en is de rechtbank van oordeel dat de beleidsregels zo hadden mogen worden toegepast. Nu zal de rechtbank beoordelen of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van 4:84 van de Awb.
21. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb. De rechtbank overweegt als volgt. Op 29 september 2022 is eiseres afgemeld als werknemer bij [onderneming2] BV en op 17 november 2023 heeft de minister het voornemen uitgebracht tot intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres. Niet is aangetoond dat [onderneming3] het aanmeldformulier op 14 oktober 2022 naar de minister heeft verzonden. Daarnaast ziet het ingevulde formulier, dat eiseres in de stukken heeft toegevoegd, op een andere verblijfsvergunning dan is beoogd door eiseres. Zelfs als de rechtbank er dus vanuit zou gaan dat het formulier wél is verzonden naar de minister, zou dit onvoldoende zijn voor eiseres om te blijven voldoen aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’. Bovendien is eiseres op grond van artikel 4.24 van het Voorschrift Vreemdelingen (VV) zelf verplicht om wijziging van werkgever door te geven aan de minister. Dat er sprake is van een tijdverloop van elf maanden tussen de afmelding van eiseres door werkgever [onderneming2] BV en het voornemen van de minister, is daarom geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de minister had moeten afwijken van de beleidsregel. Het is ten slotte aan eiseres zelf zich op de hoogte te stellen van de geldende regelgeving van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de aan haar verleende vergunning. Dat eiseres dit niet heeft gedaan komt voor haar eigen rekening en risico. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij in een lastige situatie verkeerd. Eiseres en haar partner hebben een huis gekocht en hebben onlangs een tweede kind gekregen. De partner van eiseres heeft hetzelfde probleem met zijn vergunning. Hoewel de rechtbank in ziet dat het opnieuw moeten opbouwen van de verblijfsduur geen ideale situatie is, is de rechtbank van oordeel dat dit er geen sprake is van bijzondere omstandigheden.
Het gelijkheidsbeginsel
22. Eiseres voert aan dat de intrekking van de verblijfsvergunning in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Eiseres verwijst hierbij naar een tweetal uitspraken van deze rechtbank, van zittingsplaats Rotterdam, van 2 februari 2024 (niet gepubliceerde uitspraak met zaaknummer NL23.10530) en van zittingsplaats Haarlem, van 10 mei 2022 (ECLI:NL:RBNHO:2022:4160).
23. Allereerst merkt de rechtbank op dat eiseres zich niet direct beroept op gevallen die aan haar geval gelijk zijn, maar verwijst naar uitspraken van rechtbanken die een oordeel daarover hebben gegeven. Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 2 februari 2024, waarin een oordeel is gegeven over de evenwichtigheid van de intrekking van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht, waarbij door de rechtbank een motiveringsgebrek is geconstateerd, slaagt niet. Daarbij verwijst de rechtbank naar hetgeen onder rechtsoverweging 17 tot en met 19 is overwogen. Ook het beroep van eiseres op de uitspraak van deze rechtbank, van zittingsplaats Haarlem, van 10 mei 2022 (ECLI:NL:RBNHO:2022:4160) slaagt niet, omdat de rechtbank in die zaak enkel heeft geoordeeld dat de minister onvoldoende had gereageerd op het beroep op het gelijkheidsbeginsel voor zover dat betrekking had op werkzaamheden bij een niet erkend referent. Het besluit is mede om die reden vernietigd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft eiseres onvoldoende onderbouwd en kan om die reden niet slagen.

Conclusie en gevolgen

24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.