In deze zaak heeft eiser, een Jemenitische nationaliteit, beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat deze niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel, ingediend op 4 juni 2024. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de aanvraag op 11 september 2025 in gebreke is gesteld, maar dat eiser meer dan twee weken na deze ingebrekestelling beroep heeft ingesteld. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, omdat de minister niet binnen de wettelijk vereiste termijn van zes maanden heeft beslist.
De rechtbank heeft de minister een termijn van twee weken gegeven om alsnog een besluit te nemen, maar heeft ook vastgesteld dat de minister de beslistermijn heeft verlengd onder toepassing van WBV 2023/26, welke later weer is ingetrokken. Dit heeft geleid tot onduidelijkheid over de beslistermijn voor asielaanvragen van Jemenitische vreemdelingen. De rechtbank heeft bepaald dat de minister binnen acht weken na de uitspraak een gehoor moet afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast heeft de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Eiser heeft recht op een vergoeding van de proceskosten, vastgesteld op € 453,50, omdat hij juridische bijstand heeft ingeschakeld voor het indienen van het beroepschrift. De uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman en is openbaar gemaakt op 23 oktober 2025.