Eiseres werd op 11 november 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het overschrijden van haar vertrektermijn en het ontbreken van een concreet terugkeerplan. Zij stelde dat zij bereid was zelfstandig te vertrekken en dat de bewaring onrechtmatig was, mede vanwege persoonlijke omstandigheden zoals het overlijden van haar vader.
De rechtbank oordeelde dat het rechtmatig verblijf van eiseres was beëindigd en dat zij niet binnen de vertrektermijn was vertrokken. Ook ontbrak een concreet vertrekplan. De lichte gronden 4c (geen vaste woon- of verblijfplaats) en 4d (onvoldoende middelen) werden door de rechtbank terecht tegen haar ingebracht, mede gelet op vaste jurisprudentie.
Verweerder had volgens de rechtbank terecht gekozen voor de maatregel van bewaring, omdat geen lichter middel toereikend was om het risico van onttrekking aan toezicht te voorkomen. Ambtshalve toetsing van de rechtsmatigheid van de maatregel, inclusief het non-refoulementbeginsel en het belang van het gezin, leverde geen onrechtmatigheid op.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.