ECLI:NL:RBDHA:2025:23362

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
NL25.48343 en NL25.48344
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 17 DublinverordeningArt. 32 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Iraakse asielzoeker, diende op 19 juni 2025 een asielaanvraag in Nederland in, nadat hij eerder op 8 februari 2023 in Duitsland een asielaanvraag had ingediend. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser voerde onder meer aan dat hij homoseksueel is en dat Duitsland niet het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag toepassen vanwege tekortkomingen in de Duitse asielprocedure voor lhbti'ers.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Het nieuwe AIDA-rapport over Duitsland wijkt niet wezenlijk af van het vorige en biedt geen grond om het vertrouwensbeginsel te verwerpen. Ook de individuele omstandigheden van eiser, zoals zijn betrokkenheid bij de lhbti-gemeenschap in Nederland en zijn traumatische ervaringen, zijn onvoldoende onderbouwd met medisch bewijs om de overdracht aan Duitsland te verhinderen.

Het beroep op het arrest Tarakhel, dat aanvullende garanties vereist voor bijzonder kwetsbare personen, wordt afgewezen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zonder garanties geen adequate zorg en opvang in Duitsland zal krijgen. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en stelt dat eiser kan worden overgedragen aan Duitsland.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.48343 (beroep)
NL25.48344 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Thelosen)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T.J.M. Schilder).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Eiser stelt de Irakese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1991. Hij heeft op 19 juni 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Gebleken is dat eiser op 8 februari 2023 in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 niet in behandeling genomen, omdat verweerder Duitsland verantwoordelijk acht voor de behandeling van de aanvraag.
1.1.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. F.S. Fahad als waarnemer van de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waarover gaat deze uitspraak?
2. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of verweerder op goede gronden heeft besloten eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [1] Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling, als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Bondsrepubliek Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Zijn de door eiser laat ingebrachte stukken in strijd met de goede procesorde?
4. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich op het standpunt gesteld dat de aanvullende beroepsgrond en het artikel over de ‘diversity week’ met een foto van eiser te laat zijn ingediend. Deze stukken zijn namelijk pas op zaterdag 8 november 2025 door eisers gemachtigde aan het dossier toegevoegd. Daarom heeft de gemachtigde van verweerder de rechtbank verzocht deze stukken buiten beschouwing te laten.
4.1.
De rechtbank wijst dit verzoek af. Het bestreden besluit is namelijk van 3 oktober 2025. Eiser had dus beperkte tijd om bewijsstukken te vergaren. Ook heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting de tijd gekregen om de stukken te bekijken (hetgeen hij weigerde). Daarnaast heeft hij gelegenheid gekregen om tot aanhouding te verzoeken. Daarbij zijn de stukken enkel een aanvulling op hetgeen eiser al heeft aangevoerd en bedoelen zij alleen aan te tonen dat eiser daadwerkelijk homoseksueel is. Bovendien blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder in het kader van de Dublinverordening er al vanuit gaat dat eiser homoseksueel is. [3] Om deze redenen is de rechtbank van oordeel dat het meenemen van deze stukken niet in strijd is met de goede procesorde.
Mocht verweerder, voor wat betreft lhbti’ers, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland?
5. Eiser voert aan dat hij homoseksueel is en dat verweerder ten aanzien van Duitsland niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor wat betreft lhbti'ers. Eiser verwijst onder meer naar het AIDA-rapport over Duitsland van juni 2025 (update 2024). Volgens eiser volgt uit dit rapport dat er in de Duitse asielprocedure fundamentele systeemfouten zijn waar in het bijzonder lhbti'ers mee te maken krijgen. Lhbti-asielzoekers worden niet goed geïdentificeerd en de Procedurerichtlijn is in Duitsland niet goed geïmplementeerd. Dit heeft vooral gevolgen voor kwetsbare personen zoals eiser. Volgens eiser zijn er in Nederland wel procedurele waarborgen voor lhbti'ers.
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 14 februari 2025 [4] overwogen dat op basis van het AIDA-rapport over Duitsland (update 2023) niet geconcludeerd kan worden dat de tekortkomingen in de Duitse asielprocedure de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals omschreven in het arrest Jawo. [5] In juni 2025 is er een nieuw AIDA-rapport over Duitsland uitgebracht (update 2024). Over dit rapport heeft de Afdeling zich nog niet uitgelaten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat het AIDA-rapport over 2024 niet wezenlijk verschilt van het AIDA-rapport over 2023. Zoals blijkt uit de Afdelingsuitspraak van 11 september 2024 [6] , neemt de Afdeling de motivering van de rechtbank over dat wanneer een nieuw AIDA-rapport niet wezenlijk verschilt van een ouder AIDA-rapport, het nieuwe rapport geen aanleiding geeft om anders te oordelen over de situatie in de aangezochte lidstaat. Daarnaast mocht verweerder zich ter zitting op het standpunt stellen dat hoewel de Afdeling in haar uitspraak van 14 februari 2025 niet specifiek ingaat op de situatie voor lhbti-asielzoekers, deze uitspraak geldt voor alle asielzoekers en dus ook voor lhbti’ers. Verweerder heeft in eisers gronden geen aanleiding hoeven zien om het standpunt over lhbti-asielzoekers in Duitsland te scheiden van dat over de andere asielzoekers, voor wie het interstatelijk vertrouwensbeginsel sowieso geldt. Bovendien blijkt uit het meest recente AIDA-rapport dat er de laatste tijd specifiek aandacht is voor de situatie van lhbti-asielzoekers in Duitsland, doordat er bijvoorbeeld in bepaalde deelstaten speciale accommodatiecentra voor lhbti-asielzoekers zijn geopend. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder eisers asielaanvraag vanwege bijzondere, individuele omstandigheden aan zich moeten trekken?
6. Eiser voert aan dat verweerder eisers asielaanvraag aan zich had moeten trekken. Eiser is in Nederland immers nauw betrokken bij de lhbti-gemeenschap. In Nederland voelt eiser zich gesteund en gehoord. In Duitsland voelde hij zich niet veilig. Een overdracht aan Duitsland zou daarom onmenselijke gevolgen hebben. In het bestreden besluit heeft verweerder volgens eiser ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij eisers asielaanvraag niet aan zich trekt.
6.1.
De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
6.2.
Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij eisers individuele omstandigheden niet hoeft te beoordelen in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat eisers ervaringen in Duitsland al zijn beoordeeld onder het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt van verweerder deels juist. Verweerder hoeft immers niet opnieuw te oordelen over eisers ervaringen in Duitsland, omdat die relevant kunnen worden geacht voor het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder moet echter wel oordelen over de gevolgen van die ervaringen, omdat juist die reden voor toepassing van artikel 17 kunnen Pro zijn. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juni 2025. [7]
6.3.
In het bestreden besluit en ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het feit dat eiser zich in Nederland meer thuis voelt door zijn ervaringen hier en die in Duitsland, niet bepalend is voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. Duitsland blijft verantwoordelijk voor de behandeling van eisers asielaanvraag. De rechtbank volgt verweerders standpunt. Eiser heeft geen (medische) stukken ingebracht waaruit blijkt dat hij bijvoorbeeld psychische schade heeft overgehouden aan zijn behandeling in Duitsland en dat een overdracht aan Duitsland daarmee van onevenredige hardheid getuigt. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder om aanvullende garanties moeten vragen?
7. Eiser heeft gesteld dat speciale opvangvoorzieningen voor lhbti-personen alleen bestaan in enkele deelstaten van Duitsland. Ook heeft hij gesteld dat hij vanwege zijn homoseksuele geaardheid kwetsbaar is, mede omdat hij in Irak traumatische dingen heeft meegemaakt, en dat hij zich in Duitsland onveilig voelde omdat hij in een woning werd geplaatst met tien heteroseksuele, islamitische mannen. Hij heeft geprobeerd hierover te klagen bij de autoriteiten, maar werd uitgelachen. In deze verklaringen leest de rechtbank een beroep op het arrest Tarakhel. [8]
7.1.
In het arrest Tarakhel heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij bijzonder kwetsbaar is en dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen. Dit arrest zag op zaak over een gezin met zes jonge kinderen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 [9] volgt dat dit arrest ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen, indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdelingen ook van belang kunnen zijn. De bewijslast dat sprake is van de betreffende bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling.
7.2.
De rechtbank wijst het beroep op het arrest Tarakhel af. Eiser heeft met zijn verklaringen onvoldoende onderbouwd dat hij als lhbti-persoon en vanwege zijn traumatische ervaringen in Irak, kwetsbaar is. Dat de geloofwaardigheid van zijn gestelde traumatische ervaringen niet is beoordeeld, maakt dit niet anders. Er is geen medisch bewijs ingebracht, zoals verweerder in het besluit terecht heeft overwogen. De
bijzonderekwetsbaarheid van eiser is daarmee onvoldoende onderbouwd.
7.3.
Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat uit het AIDA-rapport blijkt dat er problemen zijn bij de ontvangst en screening van kwetsbare personen. [10] Anders dan de vreemdelingen in het arrest Tarakhel heeft eiser met de landeninformatie en zijn verklaringen over zijn eerdere ervaringen in Duitsland echter niet aannemelijk gemaakt dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in dat land geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. In het AIDA-rapport staat dat er in Duitse opvangcentra normaal gesproken accommodatie wordt verstrekt voor kwetsbare groepen. Als voorbeeld is genoemd de situatie in Rijnland-Palts, waar op verzoek specifieke kamers voor lhbti-personen zijn ingericht. [11] Daarbij staat in het AIDA-rapport dat er veel meldingen waren over lastiggevallen en aangevallen lhbti-personen in opvangcentra, maar dat dit juist heeft geleid tot een betere opvang en tot het feit dat in meerdere opvangcentra op verzoek aparte accommodatie mogelijk is. [12] Dat eiser eerder heeft geprobeerd te klagen bij de autoriteiten over zijn slechte opvang, is niet genoeg voor de conclusie dat eiser als Dublinasielzoeker geen adequate opvang zal verkrijgen. Uit het AIDA-rapport blijkt verder dat, al dan niet via NGO’s [13] , specifiek hulp kan worden geboden aan onder meer lhbti-personen bij problemen bij de screening. [14] Daarbij komt dat verweerder, op grond van artikel 32 van Pro de Dublinverordening en met toestemming van eiser, informatie met Duitsland kan delen over de gevolgen van de gestelde traumatische ervaringen voor de gezondheid van eiser, mocht deze alsnog op tafel komen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Duitsland.
8.1.
Nu de rechtbank uitspraak doet over eisers beroep en dit ongegrond verklaart, is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.
8.2.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat in beide zaken geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Pagina 8 van het bestreden besluit.
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
8.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
10.Pagina 194.
11.Pagina 194.
12.Pagina 198.
13.Niet-gouvernementele organisaties.
14.Pagina 111 en 113.