Eisers wonen nabij een school in Rijswijk en maakten bezwaar tegen de door het college verleende omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik van de school. Het college verleende eerst een besluit waarbij de zienswijze van eisers niet was betrokken, maar trok dit besluit later in en verving het door een nieuw besluit waarin de zienswijze wel werd beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk omdat dit besluit was ingetrokken en vervallen. Het beroep tegen het tweede besluit werd inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank oordeelde dat eisers wel ontvankelijk waren omdat zij een zienswijze hadden ingediend, maar dat zij niet als belanghebbenden konden worden aangemerkt voor de brandveiligheidsregels die uitsluitend de gebruikers en eigenaren van het schoolgebouw en aangrenzende gebouwen beschermen.
De woning van eisers ligt circa 80 meter van de school en is niet aangemerkt als belendend gebouw. Hierdoor strekken de brandveiligheidsregels niet tot bescherming van hun belangen. Dit relativiteitsvereiste leidt tot afwijzing van het beroep. De rechtbank veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht van eisers.