ECLI:NL:RBDHA:2025:23384

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
SGR 23/7725
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van handhavingsverzoeken en rechtsgeldige ingebrekestelling in bestuursrechtelijke procedure

Op 4 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tussen eisers en het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, met zaaknummer SGR 23/7725. De rechtbank beoordeelt de beroepen van eisers, die stellen dat het college niet tijdig heeft beslist op hun handhavingsverzoeken met betrekking tot een schoolgebouw. Eisers hebben op 20 juni en 24 augustus 2023 handhavingsverzoeken ingediend, maar het college heeft pas op 22 mei 2025 besloten. Eisers hebben beroep ingesteld omdat zij van mening zijn dat het college in verzuim is. De rechtbank stelt vast dat eisers geen rechtsgeldige ingebrekestelling hebben gedaan, wat betekent dat hun beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank concludeert dat de besluiten van 22 mei 2025 alsnog zijn genomen, maar dat de inhoudelijke beoordeling van de zaak niet aan de orde is, omdat het beroep niet voldoet aan de eisen van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verwijst het beroep van rechtswege tegen de besluiten van 22 mei 2025 naar het college voor verdere behandeling in de bezwaarprocedure. De eisers krijgen geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7725

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2025 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, het college

(gemachtigde: mr. I. Ruitenbeek).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die eisers hebben ingesteld, omdat het college volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun handhavingsverzoeken ten aanzien van het (gebruik van het) schoolgebouw aan de [adres] in [plaats] .

Procesverloop

2. Eisers hebben op 20 juni 2023 het college verzocht om handhavend op te treden tegen de warmtepompen op het schoolgebouw aan de [adres] in [plaats] .
Verder hebben eisers op 24 augustus 2023 het college verzocht om handhavend op te treden door het gebouwencomplex aan de [adres] in [plaats] te sluiten.
2.1.
Op 15 november 2023 hebben eisers beroep ingesteld omdat het college volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun handhavingsverzoeken.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eisers hebben nadere stukken overgelegd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Het beroep is tegelijk behandeld met de beroepen met zaaknummers 23/1141 en 23/7197. Eisers zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
3.1.
Als de betrokkene geen ingebrekestelling stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen in dat geval niet inhoudelijk kan beoordelen.
3.2.
Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is sprake als uit een geschrift duidelijk blijkt dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Verder is vereist dat het geschrift voldoende duidelijk maakt op welke aanvraag het betrekking heeft, dat de belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen. [2]
Hebben eisers het college in gebreke gesteld?
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat eisers geen rechtsgeldige ingebrekestelling hebben verstuurd. De rechtbank stelt vast dat geen van de door eisers genoemde brieven van 20 juni 2023, 24 augustus 2023, 26 oktober 2023 en 1 november 2023 kan worden aangemerkt als een rechtsgeldige ingebrekestelling.
4.1.
De brief van 20 juni 2023 is het eerste handhavingsverzoek om op te treden tegen de warmtepompen op het schoolgebouw aan de [adres] . In deze brief staat: “bij voortduring van de illegale situatie bent u vanaf 5 juli 2023 automatisch in verzuim en de dwangsom verschuldigd.” Dit kan niet als een ingebrekestelling worden aangemerkt. Ten eerste wordt het college niet gemaand om (alsnog) te beslissen op het handhavingsverzoek. Ten tweede was op de datum van de brief en op de genoemde datum van 5 juli 2023 de beslistermijn nog niet verstreken, zodat het college nog niet in verzuim was om tijdig op de aanvraag te beslissen. Een ingebrekestelling kan pas worden ingediend als de beslistermijn is verstreken. [3]
4.2.
De brief van 24 augustus 2023 is het tweede handhavingsverzoek om op te treden tegen het gebruik van het schoolgebouw aan de [adres] . In deze brief staat: “u bent reeds vanaf 5 juli 2023 in verzuim en inmiddels de maximale dwangsom aan ons verschuldigd.” De rechtbank leest hierin niet dat eisers het college manen om alsnog een besluit te nemen op het handhavingsverzoek van 20 juni 2023. Deze brief kan daarom niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling.
4.3.
De brief van 26 oktober 2023 voldoet naar het oordeel van de rechtbank ook niet aan de voorwaarden die worden gesteld aan een ingebrekestelling. Eisers herhalen enkel het tweede handhavingsverzoek. Een brief die slechts een herinnering van een lopend verzoek bevat, kan niet als een ingebrekestelling worden beschouwd. [4] Verder staat in de brief: “Tot slot verzoeken wij u de verbeurde - inmiddels maximale – dwangsom per direct te voldoen.” De rechtbank leest in deze brief niet dat eisers het college manen om alsnog een besluit te nemen op het handhavingsverzoek van 20 juni 2023 of het handhavingsverzoek van 24 augustus 2023. Deze brief kan daarom ook niet worden aangemerkt als ingebrekestelling.
4.4.
De brief van 1 november 2023 bevat ten slotte evenmin een ingebrekestelling. In de brief staat: “u bent al geruime tijd te laat met uw besluit waarvan alle gevolgen voor uw rekening zijn”. De brief bevat daarmee slechts een constatering dat het college de beslistermijn heeft overschreden. Uit de brief volgt niet dat eisers het college manen om alsnog een besluit te nemen en evenmin maakt de brief duidelijk om welk van de twee handhavingsverzoeken het gaat. Deze brief kan daarom ook niet worden aangemerkt als ingebrekestelling.
Conclusie
5. De rechtbank komt tot de conclusie dat eisers geen rechtsgeldige ingebrekestelling aan het college hebben gestuurd. Dit betekent dat het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit niet voldoet aan de eisen die hieraan worden gesteld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit is daarom nietontvankelijk.
De besluiten van 22 mei 2025
6. De rechtbank stelt vast dat het college met de besluiten van 22 mei 2025 alsnog heeft beslist op beide handhavingsverzoeken.
6.1.
Uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb volgt dat een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, mede betrekking heeft op een besluit dat hangende dit beroep alsnog wordt genomen. Dit is slechts anders, als het alsnog genomen besluit geheel aan het beroep tegemoet komt.
6.2.
Ter zitting hebben eisers betoogd dat zij bij brief van 9 september 2025 inhoudelijke gronden tegen deze besluiten hebben aangevoerd. Dat betekent dat tegen de besluiten van 22 mei 2025 op de voet van artikel 6:20, derde lid, van de Awb, beroepen van rechtswege zijn ontstaan.
6.3.
Op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb kan de rechtbank de beslissing op een dergelijk beroep van rechtswege verwijzen naar het college. De rechtbank ziet, gelet op het belang van een zorgvuldige rechtspleging, aanleiding om van die bevoegdheid gebruik te maken. Dat betekent dat met betrekking tot de besluiten van 22 mei 2025 eerst een bezwaarprocedure bij het college dient te worden doorlopen alvorens beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld. De brief van 9 september zal naar het college worden doorgestuurd om als bezwaarschrift te worden behandeld.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk. Het beroep van rechtswege tegen de besluiten van 22 mei 2025 wordt verwezen naar het college om de bezwaarprocedure te doorlopen. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten niet-ontvankelijk;
  • verwijst de beslissing op het beroep van rechtswege tegen de besluiten van 22 mei 2025 ter verdere behandeling als bezwaar door naar het college.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
2.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4682).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY5083).