Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank constateert dat de beslistermijn is overschreden en dat het beroep tijdig is ingesteld na een correcte ingebrekestelling.
De rechtbank oordeelt dat de verlenging van de beslistermijn door verweerder onvoldoende is gemotiveerd, waardoor de wettelijke beslistermijn van zes maanden geldt. Omdat verweerder niet binnen deze termijn heeft beslist, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor het geval verweerder niet binnen de gestelde termijn beslist. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50.
De uitspraak is gedaan door rechter W.H. Bel en griffier Y. Chakur en betreft een bestuursrechtelijke procedure inzake vreemdelingenrecht.