7.1In bezwaar heeft de architect van eiseres [naam 3] (verder [naam 3] ) op 12 februari 2024 een reactie op dit advies van de WMC gegeven. Hij concludeert daarin dat naar zijn mening de uitbreidingen – met uitzondering wellicht van de uitstekende berging – voldoen aan de redelijke eisen van welstand conform de vigerende welstandsnota. Daarbij geeft [naam 3] het volgende aan:
“De welstandscommissie geeft aan dat het paviljoen een van de weinige gebouwen in het park is én als blikvanger in het parklandschap wordt ervaren én als blikvanger in het parklandschap wordt ervaren. Het eerste is objectief gezien juist, het tweede valt echter te bezien: bij de toewijzing van de status van het [gebied] tot beschermd stadsgezicht (NB: dit heeft plaatsgevonden na de bouw van restaurant [restaurant] ) is door de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed, opsteller van de toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het [gebied] tot beschermd stadsgezicht, geen woord vuil gemaakt aan het restaurant. Laat staan dat het als blikvanger wordt gekenmerkt of als dragend element binnen het historische parklandschap (dit laatste zie je bijvoorbeeld wel bij kasteeltuinen, maar daarvan is hier natuurlijk geen sprake).
In de Welstandsnota van de gemeente Den Haag wordt in het geval een bouwwerk in een beschermd stadsgezicht het volgende vermeld:
B. Indien er sprake is van een bouwwerk in een beschermd stadsgezicht, leidt het bouwwerk tol behoud of versterking van de architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden daarvan.
Toelichting
Een gebied kan vanwege zijn stedenbouwkundige opzet of bijzondere structuur door de gemeente of het rijk worden aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht. Het doel van de toekenning van deze kwalificatie of status is de bescherming van waardevolle architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische karakteristieken.
Voor een bouwwerk in een beschermd stadsgezicht, ongeacht of dit rijks- of gemeentelijk beschermd is, geldt dat meer specifiek rekening moet worden gehouden met die kenmerken van de omgeving, die hebben geleid tot de aanwijzing. Deze dienen op zijn minst gerespecteerd te worden en waar mogelijk versterkt.
De architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden van een beschermd stadsgezicht zijn beschreven in de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht. In de webapplicatie zijn de aanwijzingen als feitelijke informatie beschikbaar.
Zoals hierboven ook beargumenteerd wordt in de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht met geen enkel woord gesproken over de architectonische kwaliteiten van het gebouw in kwestie en de vraag dringt zich dan ook op of de welstandscommissie hier niet oneigenlijke argumenten heeft gebruikt om haar mening kracht bij te zetten.
Zelf ben ik van mening dat de hoofdvorm van het restaurant-paviljoen, met zijn kenmerkende torentje, dermate sterk is
dat de latere toevoegingen geen afbreuk doen aan het geheel.
Ook met de typering van het alzijdige karakter van het paviljoen door de welstandscommissie ben ik het niet eens. Het gebouw had al van eerste aanleg verschillende kanten, waarbij met name de zone aan de linkerkant, de logistieke zone, een veel geslotener karakter kent.
Dat de welstandscommissie het toevoegen van de tochtsluis als een 'ernstige aantasting van het alzijdige karakter' beschouwd kan ik niet volgen: bij benadering van het paviljoen vanaf de parkeerplaats valt pas als je vrij dichtbij bent opdat het hier een om een los volume gaat (zie foto 1). Vanaf een afstand (zie foto 2) oogt het volume van het entreesluisje eerder als een logisch vervolg op de kapconstructie die in de voorgevel zichtbaar is. Het boeibord van de entreesluis loopt immers zo goed als naadloos over in die kapconstructie en de entreesluis is verder overwegend transparant.
Ook met het commentaar van de welstandscommissie op de terrasoverkapping aan de rechterzijde ben ik het niet eens.
De gevels ter plaatse van de overkapping kunnen nog steeds open en ogen daarmee - juist op die dagen dat het park veel gebruikt zal worden - zeer transparant (zie foto 3 en 4). Ook het lamellendak geeft in geopende stand een groot gevoel van transparantie (zie foto 5) en in gesloten toestand ervaar je mijns inziens geen verschil met het eerder voorgestelde vouwdak. Beiden zijn immers in gesloten toestand dicht en bezoekers van het park klimmen over het algemeen niet in een boom om het dak van de overkapping te bekijken, maar zien dit vanaf ooghoogte.
Ook het argument van de welstandscommissie dat de huidige lamellenconstructie te veel als onderdeel van het hoofdgebouw wordt gezien kan ik niet plaatsen. Wellicht was dit het geval geweest als de dakvorm van de overkapping een verlenging was geweest van het hoofddak van het paviljoen (dus met schuine daken), maar daar is bewust niet voor
gekozen. De hoofdvorm van het paviljoen blijft hiermee intact en de overkapping wordt wel degelijk gelezen als – niet onlogische - toevoeging. Op foto 4 is dit goed te zien.
Ten aanzien van de berging aan de achterzijde komt de welstandscommissie weer met het argument van een vermeende alzijdigheid, terwijl deze in werkelijkheid juist aan deze kant van het gebouw nooit aanwezig was. Het betreft hier immers de 'logistieke zone' met de keuken, bevoorrading, parkeerplaatsen, etc (zie foto 6). Deze zone heeft dan ook van zichzelf al een wat meer gesloten karakter en de toevoeging van de berging verstoort het totaal dan ook niet. Hooguit is het jammer dat de berging, gezien vanaf de voorgevel, net 1 meter voorbij het dak van de zijgevel uitsteekt (zie foto 7). Dit
ziet er op het eerste gezicht niet erg logisch uit, dus hier zou je wellicht inderdaad van verrommeling kunnen spreken.
Maar van 'aantasting van de transparante en alzijdige hoofdvorm van het paviljoen' is absoluut geen sprake. Immers: de gevel aan de achterzijde van het paviljoen waar deze berging tegenaan is gebouwd was voorheen ook al gesloten. Niet
onlogisch, want direct achter deze gevel bevinden zich een kleedruimte voor het personeel en een koelcel: ruimtes die geen transparante gevels kunnen velen.”