ECLI:NL:RBDHA:2025:23496

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
NL25.19698
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 29 VwArt. 3 EVRMArt. 30b VwArt. 31 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en onvoldoende risico op vervolging in Ethiopië

Eiser, afkomstig uit Ethiopië en behorend tot de Oromo-bevolkingsgroep, diende op 8 juli 2022 een asielaanvraag in die op 23 april 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Hij voerde beroep aan tegen deze afwijzing, stellende dat de identiteit en leeftijd onterecht als ongeloofwaardig werden beoordeeld en dat hij wel degelijk een gegronde vrees voor vervolging en ernstige schade loopt bij terugkeer.

De rechtbank oordeelt dat de leeftijdsschouwen door AVIM en IND onvoldoende inzichtelijk en concludent zijn, maar dat verweerder door nader onderzoek, waaronder navraag bij Italiaanse autoriteiten en beoordeling van een geboorteakte, het vermoeden van minderjarigheid met succes heeft ontzenuwd. Tevens is de naamregistratie inconsistent en niet aannemelijk als gevolg van onbedoelde fouten.

Ten aanzien van het risico op vervolging stelt de rechtbank vast dat hoewel eiser tweemaal is gearresteerd en gerekruteerd, de omstandigheden van die arrestaties willekeurig waren en er geen aanwijzingen zijn dat hij persoonlijk doelwit is. Het ambtsbericht Ethiopië en de actuele situatie in Oromia ondersteunen dat er geen reëel risico op ernstige schade of vervolging bestaat. De rechtbank wijst ook het beroep op misleiding af, gelet op de onbetrouwbaarheid van de overgelegde documenten.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en onvoldoende risico op vervolging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19698

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser 2] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Epema).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en de afwijzing van de asielaanvraag dus in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 8 juli 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 april 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [2] , op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Het asielrelaas
4. Eiser heeft verklaard dat hij de Ethiopische nationaliteit heeft, dat hij is geboren op [geboortedatum] 2006 en dat hij tot de Oromo bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft verklaard dat er na de dood van [persoon A] protesten uitbraken in Ethiopië. Hij was zelf niet aanwezig bij deze demonstraties, maar werd wel van deelname daaraan verdacht. Er zijn militairen langsgekomen bij zijn woning om hem op te pakken. Tijdens deze arrestatie is hij mishandeld. Nadat zijn moeder smeergeld had betaald, is hij vrijgekomen. Na deze eerste arrestatie heeft hij twee maanden bij zijn tante ondergedoken gezeten, waarna hij is teruggekeerd naar zijn ouderlijk huis. Vier maanden na zijn terugkeer is hij op straat opnieuw gearresteerd door militairen. Na een nacht op het politiebureau te zijn vastgehouden, is hij naar Agarfa en uiteindelijk naar Gondar gebracht om als militair te dienen. Hij heeft uit deze situatie kunnen ontsnappen en is vervolgens in januari 2021 het land uit gevlucht.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. eerste arrestatie op verdenking van deelname aan demonstraties;
3. tweede arrestatie en rekrutering.
5.1.
Verweerder heeft de opgegeven identiteit van eiser ongeloofwaardig geacht. De gestelde nationaliteit en herkomst zijn wel geloofwaardig bevonden. Ook de twee arrestaties en de rekrutering heeft verweerder geloofwaardig geacht. Volgens verweerder leveren de geloofwaardig geachte (onderdelen van de) asielmotieven geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.

Beoordeling door de rechtbank

6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft getoetst aan Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6). De besluitvorming heeft anderhalf jaar te lang geduurd en daarom is het onrechtmatig om het nieuwe beleid, waarbij een zwaardere bewijslast op eiser is komen te rusten, toe te passen. Eiser doet een beroep op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17345.
6.1.
Bij het nemen van een besluit op een asielaanvraag geldt als uitgangspunt dat het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van het nieuwe recht in een ongunstigere positie komt, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. Als sprake is van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:433).
6.2.
De rechtbank stelt vast dat op het moment van het nemen van het bestreden besluit WI 2024/6 gold. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat verweerder de WI 2024/6 niet had mogen toepassen. De enkele omstandigheid dat het – inderdaad – lang heeft geduurd voordat verweerder op de asielaanvraag van eiser heeft beslist, is onvoldoende. Eiser heeft ook niet inzichtelijk kunnen maken dat hij door de toepassing van de WI 2024/6 concreet is benadeeld. Hij heeft gesteld dat hij onder het oude beleid het voordeel van de twijfel had kunnen krijgen, maar deze stelling is onvoldoende geconcretiseerd of onderbouwd. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 2024 leidt niet tot een andere conclusie, alleen al omdat de persoonlijke situatie van eiser niet vergelijkbaar is met de (persoonlijke) situatie van de vreemdeling in die zaak.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn identiteit ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder volgt hem ten onrechte niet in de opgegeven (minderjarige) leeftijd en in zijn naam. De verrichte schouw door de AVIM en de IND is niet inzichtelijk, terwijl verweerder ook niet op de registratie van eisers geboortedatum in Italië had mogen afgaan. Daarbij komt dat eiser een geboorteakte heeft overgelegd, waar verweerder te weinig waarde aan heeft gehecht. Met betrekking tot zijn naam stelt eiser dat het vaak voorkomt dat een naam in Italië anders wordt gespeld.
7.1.
Omdat eiser bij het indienen van zijn asielaanvraag zijn gestelde minderjarige leeftijd niet heeft onderbouwd met authentieke identificerende documenten, is hij, overeenkomstig verweerders beleid, door medewerkers van de AVIM en de IND geschouwd. De AVIM is tot de conclusie gekomen dat twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. De IND heeft geconcludeerd dat eiser evident minderjarig is.
7.2.
In de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801, is geoordeeld dat de leeftijdsschouw een bruikbaar middel is voor de vaststelling of er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd van een vreemdeling. Daarbij is benadrukt dat, om tot een zorgvuldige schouw te komen in een individuele zaak, het van belang is dat de verslaglegging zorgvuldig gebeurt en dat alle observaties, vanaf de ontmoeting tot de afsluiting, in het verslag staan beschreven. Ook moeten de conclusies van de schouw in de verslaglegging worden verbonden aan de observaties tijdens het gehoor, bestaande uit de uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen van een vreemdeling. Alleen dan is een leeftijdsschouw voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat de in dit geval verrichte leeftijdsschouwen niet inzichtelijk en concludent zijn. Eiser heeft er terecht op gewezen dat de beschrijving van zijn uiterlijke kenmerken door de AVIM afwijkt van de beschrijving door de IND. De AVIM heeft namelijk een duidelijk zichtbare adamsappel, duidelijk zichtbare groeven rond de mondhoeken, stoppels en een paar grijze haren bij eiser waargenomen, terwijl de IND al deze kenmerken als afwezig heeft beoordeeld. Eiser stelt terecht dat dit vreemd is, gelet op het korte tijdverloop tussen beide schouwen. Daarnaast ontbreekt in beide schouwen een verbinding tussen de observaties en bevindingen van de schouwer(s) en de conclusies die daaruit zijn getrokken. Gelet op het voorgaande mocht verweerder de leeftijdsschouwen niet betrekken bij zijn standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die eiser heeft opgegeven. Dat neemt echter niet weg dat verweerder met het oog op zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van eiser. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, volgt dat verweerder daarbij moet uitgaan van de minderjarigheid van eiser en dat het aan hem is om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen.
7.4.
Verweerder heeft nader onderzoek verricht door navraag te doen bij de Italiaanse autoriteiten. Verweerder is naar aanleiding van dat onderzoek uitgegaan van 1 september 2003 als geboortedatum van eiser, omdat hij met die geboortedatum in Italië staat geregistreerd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiser geen plausibele verklaring heeft gegeven voor de afwijkende registratie in Italië en dat eiser zijn gestelde leeftijd ook niet aannemelijk heeft gemaakt middels identificerende documenten. Verweerder heeft daarbij gewezen op de conclusie van Bureau Documenten dat de door eiser overgelegde geboorteakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet in deze staat is opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie.
7.5.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 volgt dat als verweerder een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat aantreft, waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is, hij die registratie bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling mag betrekken en daaraan gewicht mag toekennen. Verweerder dient zorgvuldig te onderzoeken en deugdelijk te motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Als aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Verweerder dient alle feiten en omstandigheden mee te wegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Verweerder moet bij deze beoordeling ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen, zoals officiële en onofficiële identificerende documenten, betrekken.
7.6.
Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er in geslaagd om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Daartoe is allereerst van belang dat verweerder zorgvuldig heeft onderzocht en deugdelijk heeft gemotiveerd welk gewicht hij toekent aan de in Italië geregistreerde geboortedatum. Uit het onderzoek bij de Italiaanse autoriteiten volgt dat aan de daar geregistreerde geboortedatum van eiser geen brondocumenten of een medisch leeftijdsonderzoek ten grondslag liggen. De geregistreerde datum is daarmee gebaseerd op de eigen verklaringen van eiser. Tijdens het aanmeldgehoor is eiser bevraagd over de omstandigheden waaronder de registratie in Italië tot stand is gekomen. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen plausibele verklaring heeft gegeven voor de afwijkende verklaring in Italië. Eiser heeft namelijk inconsistent verklaard over de registratie door enerzijds te zeggen dat hij in Italië heeft opgegeven dat hij zestien jaar oud is, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat hij in Italië geen leeftijd heeft genoemd en dat zijn leeftijd misschien is opgegeven door andere jongens. Eiser wijst er in dit verband op dat de registratie in Italië onder hectische omstandigheden heeft plaatsgevonden en dat hij toen ziek was, maar verweerder stelt terecht dat eiser zijn inconsistente verklaringen in Nederland heeft afgelegd, toen een en ander niet meer speelde. Verweerder heeft dan ook kunnen stellen dat de afwijkende verklaring in Italië afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen.
Bij de beslissing om uit te gaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum heeft verweerder verder kunnen betrekken dat volgens Bureau Documenten de door eiser overgelegde geboorteakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet in deze staat is opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie omdat er verschillende wijzigingen en een overschrijving zijn aangetroffen waarbij de oorspronkelijke gegevens zijn gewijzigd. De stelling van eiser dat de wijzigingen in het document geen betrekking hebben op de naam en de geboortedatum, maakt niet dat verweerder meer gewicht aan de geboorteakte had moeten toekennen. De rechtbank volgt verweerder in diens standpunt dat het feit dat er met de akte is gerommeld, waarbij het registratienummer, de afgiftedatum en de naam van de ambtenaar zijn aangepast, al voldoende is om het document niet betrouwbaar te achten.
7.7.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder het vermoeden van minderjarigheid ontzenuwd. Verweerder heeft niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd geconcludeerd dat de opgegeven (minderjarige) leeftijd van eiser ongeloofwaardig is.
7.8.
Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder eiser daarnaast niet ten onrechte niet gevolgd in de opgegeven naam. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat de in Nederland opgegeven naam afwijkt van de naam die in Italië is geregistreerd en verder dat de naam op de geboorteakte weer anders staat geschreven. Er is aldus sprake van drie verschillende namen, die weliswaar op elkaar lijken, maar waarvan verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat ze teveel verschillen om uit te kunnen gaan van onbedoelde fouten in de schrijfwijze. De rechtbank wijst er daarbij op dat de registratie in Italië uit maar twee namen bestaat, terwijl eiser in Nederland heeft opgegeven dat hij drie namen heeft en ook de naam op de geboorteakte uit drie namen bestaat. Verweerder heeft dit kunnen aanmerken als een wezenlijk verschil. Eiser heeft als verklaring voor het verschil in het aantal namen gewezen op de omstandigheden rond zijn registratie in Italië, maar zoals eerder overwogen heeft eiser over zijn registratie in Italië inconsistente verklaringen afgelegd. Verder laat dit onverlet dat ook de naam op de geboorteakte afwijkt van de naam die eiser bij zijn aanmelding in Nederland heeft opgegeven.
7.9.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte de identiteit van eiser ongeloofwaardig geacht.
7.1
De beroepsgrond slaagt niet.
8. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij bij of na terugkeer naar Ethiopië geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Volgens eiser is hij in Ethiopië al blootgesteld aan vervolging dan wel ernstige schade, zodat er een duidelijke aanwijzing is dat zijn vrees bij terugkeer gegrond is, en heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Hij stelt dat hij wel degelijk heeft te vrezen voor gedwongen rekrutering en dat ook aannemelijk is dat hij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat vanwege zijn eerdere arrestaties en rekrutering. Bij terugkeer zal hij vanwege zijn registratie in verband met die eerdere gebeurtenissen als opposant worden beschouwd. Tot slot wijst eiser op de veiligheidssituatie in zijn herkomstgebied Oromia. Hij stelt dat hij, gelet ook op zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden, een reëel risico op ernstige schade loopt.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser bij of na terugkeer naar Ethiopië een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Daartoe wordt het volgende overwogen.
8.2.
Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de vrees bij of na terugkeer wordt als uitgangspunt genomen dat verweerder geloofwaardig heeft geacht dat eiser de Ethiopische nationaliteit heeft, afkomstig is uit Oromia en dat hij in Ethiopië tweemaal is gearresteerd en is gerekruteerd. Voor zover eiser terecht stelt dat hij door de arrestaties en rekrutering al is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade, in de zin van artikel 31, vijfde lid, van de Vw, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
8.2.1.
Verweerder heeft er in dit verband in de eerste plaats op kunnen wijzen dat uit het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van januari 2024 (ambtsbericht) volgt dat er gedurende de verslagperiode geen berichten (meer) waren van gedwongen rekrutering. Hoewel het voorkwam dat personen in met name conflictgebieden – vooral jonge mannen – zich aansloten bij gewapende groepen, wijst verweerder er terecht op dat dit volgens het ambtsbericht het gevolg was van een verscheidenheid aan push- en pullfactoren, zoals sociaaleconomische, ideologische en beschermingsoverwegingen, en dat er waarschijnlijk weinig sprake was van dwang om toe te treden. Er was volgens het ambtsbericht wel sprake van dwang om gewapende groepen niet te verlaten. Vertrekkende leden werden gezien als een veiligheidsrisico omdat ze over gevoelige informatie konden beschikken. Dit laatste is echter niet van toepassing op eiser, omdat hij eerder niet actief is geweest voor een gewapende groepering. Verweerder heeft verder gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat mensen die zich in het verleden aan rekrutering hebben onttrokken, daardoor in de negatieve aandacht staan. Eiser heeft ter betwisting hiervan gewezen op een passage uit de door hem overgelegde brief van VluchtelingenWerk Nederland van 29 april 2025, waarin staat dat jongeren die aan rekrutering konden ontsnappen niet naar huis konden terugkeren uit angst voor represailles van de veiligheidstroepen. Deze informatie dateert echter uit november 2022, en ziet daarmee op de situatie van voor de verslagperiode waarop het huidige ambtsbericht is gebaseerd. Verweerder heeft er verder op gewezen dat er geen formele dienstplicht in Ethiopië is en dat er ook geen wetten zijn die voorzien in straffen voor dienstweigeraars of deserteurs. De enkele stelling van eiser dat het onrustig is in Ethiopië en dat de feitelijke situatie zo weer kan veranderen, is onvoldoende om aan te nemen dat eisers vrees voor gedwongen rekrutering wel gegrond is.
8.2.2.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat eiser vanwege de geloofwaardig geachte asielmotieven in de negatieve aandacht van de Ethiopische autoriteiten staat. Verweerder heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat de eerste arrestatie plaatsvond in het kader van een brede veiligheidsoperatie, waarbij aannemelijk is dat de autoriteiten het niet specifiek op eiser hadden voorzien. Eiser heeft immers verklaard dat na de demonstratie militairen alle woningen langsgingen en dat iedereen die thuis was werd meegenomen. Verweerder heeft er ook op kunnen wijzen dat uit eisers verklaringen volgt dat hij na deze eerste arrestatie, toen hij terugkwam na verblijf bij zijn tante, een aantal maanden thuis heeft gewoond en zich in het openbare leven heeft begeven zonder dat hij problemen heeft ondervonden, hetgeen er niet op duidt dat hij op dat moment persoonlijk werd gezocht. Verweerder heeft daarnaast kunnen aannemen dat ook de tweede arrestatie van eiser willekeurig was. Eiser heeft dit betwist en gesteld dat tijdens deze aanhouding tegen hem is gezegd dat hij degene was die is ontsnapt. Hoewel eiser inderdaad in zijn gehoor heeft verklaard dat dit bij zijn aanhouding tegen hem is gezegd, kan uit zijn verklaringen niet worden afgeleid dat de militairen, voor zij hem aanspraken, ook daadwerkelijk op zoek waren naar hem. Eiser heeft immers verklaard dat hij werd aangesproken tijdens een patrouille, waarbij ook de vrienden met wie hij op dat moment was, en nog vele anderen, zijn aangehouden en zijn meegenomen. Eiser heeft later tijdens het gehoor ook zelf verklaard dat het een willekeurige arrestatie was en dat iedereen werd opgepakt. Ook ten aanzien van deze arrestatie heeft verweerder dus kunnen stellen dat er geen aanwijzing is dat eiser persoonlijk werd gezocht. Verweerder heeft er daarbij op kunnen wijzen dat de omstandigheden zoals eiser die heeft geschetst, aansluiten bij het beeld dat naar voren komt uit landeninformatie over Ethiopië, waarin wordt gesproken over willekeurige aanhoudingen onder met name jongeren. Dat eiser in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat, heeft verweerder – vanwege het willekeurige karakter van de arrestaties – dan ook niet aannemelijk hoeven achten.
8.3.
Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser als terugkeerder te maken krijgt met problemen die als vervolging dan wel ernstige schade kwalificeren. Hoewel het ambtsbericht melding maakt van mogelijke risico’s die terugkeerders liepen op negatieve aandacht en slechte behandeling, staat er ook dat dit afhangt van het profiel van de terugkeerder. Vertrek om economische redenen was bijvoorbeeld over het algemeen geen reden voor negatieve aandacht. Vertrek om politieke redenen kon dit wel zijn. In het geval van eiser zijn er echter geen aanwijzingen dat hem vertrek om een politieke reden wordt toegedicht. In dit verband is van belang dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de autoriteiten in Ethiopië – als opposant – staat geregistreerd vanwege zijn eerdere arrestaties en rekrutering.
8.4.
Ten aanzien van de algemene veiligheidssituatie in Ethiopië, meer specifiek het herkomstgebied van eiser, Oromia, overweegt de rechtbank als volgt.
8.4.1.
Niet in geschil is dat er in Oromia geen sprake is van een situatie waarin de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder neemt in het landgebonden beleid in C7/14.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 voor Oromia aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit betekent dat niet alleen gekeken moet worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser. Hoe meer eiser aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.
8.4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat in het geval van eiser sprake is van individuele omstandigheden die leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft gewezen op zijn eerdere arrestaties en rekrutering. De rechtbank heeft hiervoor echter al geoordeeld dat niet aannemelijk is dat eiser om die reden de negatieve aandacht van de autoriteiten geniet. Deze omstandigheden leiden dan ook niet tot een verhoogd veiligheidsrisico voor eiser. Van andere individuele omstandigheden die wel voor een verhoogd risico zorgen, is de rechtbank niet gebleken.
8.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
9. Eiser voert aan dat de asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Volgens hem is er geen sprake geweest van misleiding.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiser verweerder heeft misleid in de zin van genoemd artikellid. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat eiser in Nederland een geboorteakte heeft overgelegd, die volgens Bureau Documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet in deze staat is opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie, vanwege de wijzigingen en de overschrijving die in dat document zijn aangetroffen. Eiser heeft aldus valse informatie verstrekt omtrent zijn identiteit.
9.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
10. Eiser heeft nog aangevoerd dat het onzorgvuldig is dat verweerder voorafgaand aan het uiteindelijke voornemen van 19 september 2024 twee eerdere voornemens had uitgebracht en ingetrokken. Volgens eiser duidt dit erop dat verweerder inconsistent is in de beoordeling van het asielrelaas, zodat er getwijfeld moet worden aan de kwaliteit van de besluitvorming. Hoewel de rechtbank met eiser eens is dat de handelwijze van verweerder niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen hierin geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder is in het bestreden besluit, waaronder ook de inhoud van het voornemen van 19 september 2024 moet worden begrepen, zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning.

Conclusie en gevolgen

11. Verweerder heeft de asielaanvraag terecht afgewezen.
12. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Horst - van Dee, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Zaak NL25.19699