ECLI:NL:RBDHA:2025:2362

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2025
Publicatiedatum
19 februari 2025
Zaaknummer
NL25.5405
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000Vreemdelingenwet 2000VreemdelingenbesluitTerugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel van bewaring in vreemdelingenrechtelijke asielprocedure

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Belarussische vreemdeling tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de minister op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De minister baseerde de bewaring op zowel de b-grond (risico op onttrekking aan toezicht) als de c-grond (vermoeden van misbruik asielprocedure om terugkeer te frustreren).

Eiser stelde dat een eerdere maatregel van bewaring onrechtmatig was en dat deze onrechtmatigheid doorwerkte in de huidige maatregel, maar de rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een ernstige schending van het recht op vrijheid, mede omdat de eerdere bewaring slechts acht dagen duurde en geen opeenstapeling van gebreken was.

De rechtbank vond de motivering van de minister voldoende en concludeerde dat zowel de zware als lichte gronden de maatregel konden dragen. Ook was er geen aanleiding om een lichter middel toe te passen. De minister handelde voortvarend in de asielprocedure, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5405

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Procesverloop

1. Bij besluit van 4 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vw [1] 2000 opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 februari 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. De tolk is verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

2. Eiser stelt van Belarussische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
3. De minister heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b (b-grond) en c (c-grond), van de Vw 2000. Als aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan, is elk van deze gronden afzonderlijk voldoende om de maatregel te kunnen dragen. In dit verband stelt de minister zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van eisers asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen (b-grond). De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(
zware gronden)
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(
lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
Daarnaast heeft de minister in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen (c-grond).
3.2.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Onrechtmatigheid eerdere maatregel
5. Eiser betoogt dat niet in geschil is dat de eerdere op 28 januari 2025 aan eiser opgelegde maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is geweest als gevolg van een onjuiste grondslag. Volgens eiser werkt deze onrechtmatigheid door in onderhavige maatregel van bewaring, omdat sprake is van een ernstige schending.
5.1.
Uit de uitspraak van de Afdeling [2] van 16 juni 2023 [3] volgt dat de verplichting om de onrechtmatigheid van een eerdere maatregel te betrekken bij de beoordeling van de opvolgende maatregel, niet automatisch maakt dat deze laatste maatregel ook onrechtmatig is. De onrechtmatigheid van een eerdere maatregel kan wel doorwerken als het gebrek een ernstige schending oplevert van het aan de vreemdeling toekomende recht om in vrijheid te worden gesteld wanneer de bewaring onrechtmatig is.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een ernstige schending van het recht om in vrijheid te worden gesteld, zoals bedoeld in de hiervoor genoemde uitspraak van 16 juni 2023. In dit geval is er geen sprake van een ernstige schending, omdat eiser slechts acht dagen op een verkeerde grondslag in bewaring heeft gezeten, er geen sprake is van een opeenstapeling van gebreken en zijn situatie dan ook niet vergelijkbaar is met de situatie die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2023.
Grondslag en gronden b-grond
6. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de b-grond van artikel 59b van de Vw 2000 is opgelegd. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht - door middel van de in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb [4] 2000 opgenomen lichte en zware gronden - ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen. [5]
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze zware en lichte gronden in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat.
Grondslag c-grond
7. De rechtbank is van oordeel dat ook artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000 (c-grond) terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Eiser werd al voor het opleggen van de huidige maatregel in bewaring gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn en heeft ook al de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure gehad. Ook heeft eiser op 28 januari 2025 opnieuw asiel aangevraagd. Het is aannemelijk dat eiser dit heeft gedaan om zijn terugkeer te frustreren.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat zoals hiervoor is overwogen de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en sprake is van risico op onttrekking. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding heeft moeten zien eiser niettemin een lichter middel dan bewaring op te leggen. De enkele stelling van eiser dat hij onderweg was naar Ter Apel om zich daar te melden, maar is verdwaald en daardoor dus niet de intentie had om zich te onttrekken, maakt dat oordeel niet anders.
Voortvarendheid in het kader van de asielaanvraag
9. De termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000 moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de asielaanvraag van eiser. Hiertoe overweegt de rechtbank dat op 10 februari 2025 een nader gehoor heeft plaatsgevonden en dat de minister op 11 februari 2025 het voornemen heeft uitgebracht om de (opvolgende) asielaanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Vreemdelingenbesluit.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011.