ECLI:NL:RBDHA:2025:23677

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
24/5435
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep inzake verzoek om inzage in persoonsgegevens en beslissing op bezwaar UWV

In deze zaak heeft eiseres op 24 februari 2023 een verzoek ingediend om inzage in haar volledige dossier bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Dit verzoek werd deels toegewezen, maar eiseres was ontevreden over het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar. Op 9 juli 2024 verklaarde verweerder het bezwaar gegrond en verstrekte hij een aantal documenten aan eiseres, maar niet alle gevraagde informatie. Eiseres heeft haar beroep gehandhaafd, waarbij zij stelde dat er toezeggingen zijn gedaan tijdens de hoorzitting die niet zijn nagekomen. De rechtbank heeft de zaak op 21 oktober 2025 behandeld en geconcludeerd dat het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is. De rechtbank oordeelt dat verweerder aan zijn verplichtingen heeft voldaan door de relevante documenten te verstrekken en dat eiseres niet heeft aangetoond dat er nog ontbrekende stukken zijn. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/5435

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.S. Maas),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), verweerder
(gemachtigde: [naam]).

Inleiding

1. Eiseres heeft op 24 februari 2023 een verzoek om inzage in haar (persoons)gegevens gedaan.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 mei 2023 deels toegewezen.
1.2.
Eiseres heeft op 24 mei 2024 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar. Bij besluit van 9 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van 4 juli 2023 alsnog gegrond verklaard. Eiseres heeft haar beroep gehandhaafd. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit. [1]
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft op 24 februari 2023 verzocht om een kopie van haar volledige dossier van 1 januari 2013 tot en met 24 februari 2023. Haar verzoek ziet op verslaggeving van correspondentie, rapporten, de correspondentie intern bij het UWV en over haar met derden (waaronder met ex-werkgever en zorgverleners/huisarts), zoals bijvoorbeeld brieven/ notities/ telefoongesprekken enz. en daarnaast op alle informatie die onder haar naam is geregistreerd. Op 27 mei 2023 heeft zij bij verweerder – door middel van het formulier ‘Wooverzoek indienen’– een soortgelijk verzoek gedaan (periode 1 januari 2013 tot heden). Verweerder heeft het verzoek van 24 februari 2023 deels toegewezen en de gevraagde persoonsgegevens verstrekt. Het verzoek om het aanleveren van interne mails, gespreknotities, aantekeningen van telefoongesprekken en alle andere vormen van communicatie heeft verweerder afgewezen. Verweerder verwijst daarbij naar artikel 15, vierde lid, van de AVG. [2] Persoonlijke aantekeningen van medewerkers van het UWV vallen volgens verweerder niet onder het inzagerecht. In bezwaar heeft eiseres verweerder verzocht om het verzoek te interpreteren als zowel AVG- als Woo-verzoek. Op 9 juli 2024 heeft verweerder het bezwaar van 4 juli 2023 tegen de beslissing van 23 mei 2023 gegrond verklaard. Verweerder ziet aanleiding om de beslissing van 23 mei 2023 te herzien en de gevraagde documenten met eiseres te delen. Daarop zijn 22 documenten van in totaal 38 pagina’s aan eiseres verstrekt (waarbij gegevens deels zijn geanonimiseerd). Verweerder verwijst daarbij naar artikel 5.2 van de Woo. [3] Deze zaak gaat over de vraag of verweerder hiermee heeft voldaan aan het verzoek van 24 februari 2023.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Tijdens de hoorzitting in bezwaar op 13 maart 2024 zijn verschillende afspraken gemaakt tussen verweerder en eiseres. Deze afspraken staan niet in het verslag van de hoorzitting, zijn niet nagekomen door verweerder en in de beslissing op bezwaar wordt ook niet ingegaan op de besproken punten. Omdat eiseres hierdoor in haar belangen is geschaad, kunnen deze gebreken niet worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Tijdens de hoorzitting is bijvoorbeeld toegezegd dat verweerder zou nagaan of de Wet verbetering poortwachter juist is gevolgd, deze toezegging is niet nagekomen. Er is daarnaast ten onrechte geen informatie gedeeld met eiseres over hoe de fout is ontstaan in haar WIAbeoordeling en hoe de communicatie hierover is verlopen. Ook die toegezegde informatie ontbreekt. Verder is tijdens de hoorzitting toegezegd dat de registratiedatum van het loon van eiseres (zoals intern verwerkt) zou worden doorgegeven. Tot slot wil eiseres weten of verweerder illegaal gegevens van haar heeft verzameld door het gebruik van de beruchte cookies. Zij heeft dit verzoek al eerder gedaan, maar daarop is geen reactie gekomen. Zij verzoekt om een schriftelijke bevestiging dat haar gegevens niet onrechtmatig zijn gescreend en dat er geen specifieke kenmerken van haar, zoals medische gegevens, onrechtmatig zijn gelabeld door het toepassen van een algoritme.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bestreden beslissing juist is. De stukken die verweerder over eiseres heeft, zijn aan haar verstrekt. Het is hem daarom niet duidelijk wat eiseres nog wenst te bereiken met deze procedure. Verweerder betwist dat het verslag van de hoorzitting onvolledig is. In reactie op de punten die eiseres in beroep aanvoert, merkt verweerder op dat eiseres haar vragen omtrent de Wet poortwachter toentertijd aan de orde had moeten stellen. De periode van 104 weken is immers allang afgesloten en eiseres ontvangt inmiddels ook een WIA-uitkering. Wat betreft de WIAuitkering merkt verweerder op dat de LGU-uitkering inderdaad niet juist was berekend. Dit is opgemerkt na het beroepschrift van de toenmalige gemachtigde en er is een nieuwe berekening gemaakt. Dit blijkt ook uit de mailwisseling van 30 mei 2023 die aan eiseres is verstrekt. Wat eiseres bedoelt met de registratiedatum van het loon is verweerder niet duidelijk. Verweerder voert aan dat deze vragen bovendien buiten de omvang van het verzoek van eiseres vallen en in deze procedure daarom geen rol kunnen spelen. Verweerder merkt tot slot op dat er absoluut geen specifieke kenmerken van eiseres onrechtmatig zijn gelabeld. Hij wijst op het Beleidskader Privacy van het UWV en de uitgebreide toelichting op het privacybeleid op uwv.nl.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De rechtbank betrekt bij haar beoordeling dat eiseres verweerder in bezwaar heeft verzocht om haar verzoek op te vatten als zowel AVG-verzoek als Woo-verzoek en verweerder het verzoek uiteindelijk ook vanuit die beide beoordelingskaders heeft bezien.
5.2.
Artikel 15 van de AVG geeft betrokkene het recht om uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van de hem of haar betreffende persoonsgegevens en om inzage te verkrijgen in die persoonsgegevens. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is het doel van artikel 15 van de AVG dat de betrokkene zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. [4] Het derde lid van dat artikel geeft recht op verstrekking van een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt, maar stukken als zodanig zijn geen persoonsgegevens. Het recht op inzage betekent dus niet dat betrokkene zonder meer recht heeft op inzage in of kopieën van stukken. [5] Zoals de Afdeling eerder ook heeft overwogen, is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. [6]
5.3.
Naast het inzagerecht op grond van de AVG kan eenieder op grond van artikel 4.1 van de Woo een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan. Gelet op het derde lid van dat artikel hoeft de verzoeker daarbij geen belang te stellen. De Woo ziet alleen op bestaande documenten. [7] Informatie die openbaar wordt gemaakt op grond van de Woo wordt in beginsel openbaar gemaakt voor eenieder. Als de informatie de verzoeker zelf betreft, dan moet het bestuursorgaan de informatie in beginsel aan de verzoeker verstrekken. [8] De informatie waarom is verzocht wordt in zo’n geval dus niet openbaar gemaakt voor eenieder maar aan verzoeker zelf verstrekt (eventueel onder voorwaarden). Net als bij een AVG-verzoek geldt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. [9]
5.4.
Verweerder heeft op zitting toegelicht dat hij met de beslissing op bezwaar alle stukken die over eiseres gaan aan haar heeft verstrekt. Eiseres heeft niet aangevoerd dat er stukken ontbreken of dat verweerder de zoekslag niet juist heeft uitgevoerd. Dat verweerder alle documenten waarover hij beschikt heeft verstrekt aan eiseres, is dus niet in geschil.
5.5.
Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat er tijdens de hoorzitting van 13 maart 2024 diverse toezeggingen zijn gedaan die niet zijn vastgelegd in het verslag van de hoorzitting en ook niet zijn nagekomen door verweerder. Verweerder heeft dit op zitting uitdrukkelijk betwist, er zijn volgens hem géén toezeggingen gedaan. De rechtbank overweegt dat eiseres niet heeft onderbouwd dat er toezeggingen zijn gedaan door verweerder en dat dit ook anderszins niet uit het dossier is gebleken. Voor zover verweerder al toezeggingen zou hebben gedaan tijdens de hoorzitting, vallen deze toezeggingen buiten de reikwijdte van het verzoek dat eiseres op 24 februari 2023 heeft gedaan. De vragen die eiseres heeft, zien op de inhoudelijke behandeling in het verleden door het UWV. Het inzagerecht op grond van de AVG en het recht op openbaarmaking uit de Woo zijn niet bedoeld om de inhoud van besluitvorming (in dit geval met betrekking tot de WIA-uitkering) aan de orde te stellen maar om de bescherming van persoonsgegevens en het recht op informatie te waarborgen. Verweerder heeft in het verweerschrift desgevraagd schriftelijk bevestigd dat geen specifieke kenmerken van eiseres onrechtmatig zijn gelabeld. Nu verweerder inzage heeft gegeven in de persoonsgegevens van eiseres die hij heeft verwerkt en hij alle stukken waarover hij beschikt aan eiseres op grond van de Woo heeft verstrekt, heeft hij aan het verzoek van eiseres voldaan.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten van dit beroep. Verweerder weerspreekt dat hij een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Hoewel ten tijde van het instellen van het beroep nog niet op het bezwaar was beslist, is de rechtbank van oordeel dat eiseres inderdaad geen geldige ingebrekestelling heeft verstuurd aan verweerder. De e-mail van 28 april 2024 aan verweerder waarnaar eiseres in het beroepschrift van 24 mei 2024 verwijst, geldt niet als geldige ingebrekestelling. In die email wordt slechts gevraagd naar de stand van zaken. De brief van 15 januari 2024 waarnaar eiseres in het aanvullende beroepschrift van 5 september 2024 verwijst, geldt ook niet als geldige ingebrekestelling. Deze ingebrekestelling ziet namelijk op het niet tijdig beslissen op een Woo-verzoek van 27 mei 2023. In de brief staat uitdrukkelijk genoemd dat dit verzoek losstaat van de lopende bezwaarprocedure.
7. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Eisers krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten dat ziet op dit gedeelte van het beroep.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming).
3.Wet open overheid.
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:452, r.o. 6.2.
5.Uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1319, r.o. 7.1.
6.Uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4279, r.o. 6.1.
7.Uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1066, r.o. 9 e.v.
8.Artikel 5.5 van de Woo.
9.Uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3870, r.o. 5.1.