Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:23807

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
NL25.57358
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 31 VluchtelingenverdragArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag vanwege verantwoordelijkheid Denemarken volgens Dublinverordening

Eiser, een Eritrese asielzoeker, diende op 8 augustus 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Denemarken had het verzoek tot overname op 19 november 2025 aanvaard.

Eiser voerde aan dat Denemarken zich niet aan het Vluchtelingenverdrag houdt, mede vanwege strafrechtelijke vervolging van asielzoekers met valse paspoorten en aangescherpte regels voor gezinshereniging, waardoor hij in een nadeliger positie zou verkeren. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Denemarken zijn verdragsverplichtingen niet nakomt.

De rechtbank overwoog dat het aangehaalde rapport geen bewijs levert dat Denemarken systematisch asielaanvragen weigert op grond van valse documenten. Ook is niet gebleken dat eiser geen effectieve rechtsbescherming kan krijgen in Denemarken. De aangescherpte gezinsherenigingsregels vormen geen bijzondere omstandigheid die overdracht aan Denemarken onevenredig hard maakt.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Denemarken verantwoordelijk is en eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Denemarken zijn verdragsverplichtingen niet nakomt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57358

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. J.C.A. Koen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

Bij besluit van 20 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 8 augustus 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiging van Denemarken in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig is van 19 juli 2025 tot 12 augustus 2025. Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening [3] is Denemarken daarmee verantwoordelijk voor de asielaanvraag. Nederland heeft daarom aan Denemarken een verzoek om overname gedaan. Op 19 november 2025 heeft Denemarken het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Denemarken vaststaat.
3. Eiser voert daartegen aan dat verweerder toepassing moet geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Denemarken houdt zich namelijk niet aan artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag. Eiser citeert uit het landenrapport US Department of State: 2024 Country Reports on Human Rights Practices: Denmark:
“In May, representatives of the Association of Immigration Lawyers and the Danish Refugee Council discussed in national media that some asylum seekers were prosecuted for use of false or falsified travel documents or identification papers, contrary to guidance from the attorney general and Article 31 of the Refugee Convention, leading authorities not to consider their asylum applications. The attorney general stated 457 asylum seekers were charged with violating relevant sections of the criminal code from 2019 to 2023.”Eiser stelt daarbij dat hij met een vals paspoort naar Denemarken is gereisd. Verweerder heeft volgens hem onvoldoende gereageerd op de zienswijze door te overwegen dat eiser kan klagen bij de Deense autoriteiten wanneer Denemarken zich niet aan de regels houdt. Zou dat volstaan om zich aan het Vluchtelingenverdrag te houden, dan was de bedoelde verdragsschending niet gesignaleerd, aldus eiser. Daarnaast voert eiser aan dat Denemarken het recht op gezinshereniging voor vreemdelingen met subsidiaire bescherming aanzienlijk heeft aangescherpt, zodat hij in een nadeliger positie komt te verkeren dan wanneer Nederland zijn asielaanvraag in behandeling zal nemen.
De rechtbank overweegt als volgt.
4. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Denemarken zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling [4] van 5 augustus 2024. [5] Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser is hier niet in geslaagd.
5. In het door eiser aangehaalde rapport wordt gesignaleerd dat sommige asielzoekers die in Denemarken een vals paspoort hebben gebruikt, daar strafrechtelijk voor zijn vervolgd en dat hun asielaanvragen vervolgens niet in behandeling zijn genomen door de Deense autoriteiten. Uit het rapport blijkt echter niet dat Denemarken volgens vast beleid of systematisch weigert om asielaanvragen van asielzoekers met valse documenten in behandeling te nemen. Verweerder wijst er terecht op dat Denemarken onder meer partij is bij het EVRM [6] , het Vluchtelingenverdrag en de richtlijnen van de Europese Unie op het gebied van het asielrecht. Volgens vaste rechtspraak volgt uit het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat vervolgens wordt aangenomen dat in Denemarken effectieve rechtsbescherming wordt geboden aan asielzoekers en Dublinclaimanten. Verweerder heeft daarom terecht overwogen dat van eiser verwacht mag worden dat hij zich bij voorkomende problemen in de Deense asielprocedure, opvangvoorzieningen, of anderszins beklaagt bij de (hogere) Deense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Deense autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. De bevindingen in het aangehaalde rapport rechtvaardigen niet eisers conclusie in dit verband. Niet is gebleken of de betrokken vreemdelingen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden van rechtsbescherming in Denemarken en wat daarvan de uitkomst is geweest. Daar komt bij dat Denemarken met het claimakkoord heeft gegarandeerd het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen. Verweerder heeft gelet hierop het bestreden besluit op dit punt dan ook voldoende gemotiveerd.
6. Verweerder heeft ook verder voldoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. Verweerder hoefde de situatie dat in Denemarken de voorwaarden voor gezinsherenging voor degenen die een subsidiaire beschermingsstatus hebben, aanzienlijk aangescherpt zijn niet aan te merken als bijzondere omstandigheid die maakt dat overdracht aan Denemarken getuigt van onevenredige hardheid. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Denemarken in strijd handelt met de Gezinsherenigingsrichtlijn.
7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan op 9 december 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.