Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:24009

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
25/4896
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening bij wijziging bijstandsuitkering

Verzoeker ontving een e-mail van een inkomensconsulent waarin werd medegedeeld dat zijn bijstandsuitkering zou worden beëindigd vanwege de inwoning van zijn partner, wat gevolgen had voor de norm waarop de uitkering werd gebaseerd. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze beëindiging en diende een verzoek om voorlopige voorziening in om de beëindiging te schorsen.

De rechtbank stelde partijen in de gelegenheid te reageren en stelde verzoeker in de gelegenheid om de zitting te verzetten vanwege vakantie. Verzoeker trok vervolgens het verzoek om voorlopige voorziening in, stellende dat het college hem tegemoet was gekomen door een bedrag van € 1.300,61 over te maken en verzocht om een proceskostenveroordeling.

Het college betoogde dat geen sprake was van een beëindiging van de uitkering, maar van een wijziging van de norm vanwege de gewijzigde leefsituatie. De uitbetaling over juli 2025 was vertraagd maar volledig gedaan. De rechtbank oordeelde dat het college niet geheel of gedeeltelijk was tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a Awb, omdat er geen nieuw besluit was genomen en de uitbetaling een feitelijke handeling betrof.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter M.M. Meessen op 18 december 2025.

Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat het college niet is tegemoetgekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4896

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. G. Grijs),
en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda, het college

(gemachtigde: [naam]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat, kort samengevat, er geen sprake is van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoeker.
1.2.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [3]
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Blijkens de gedingstukken heeft verzoeker op 24 juli 2025 een e-mail ontvangen van een inkomensconsulent met als onderwerp: wijziging in uw leefsituatie. In het e-mailbericht staat het volgende: (…) U ontvangt momenteel een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande bij Gemeente Gouda. Per 4 juli 2025 is uw partner bij u komen inwonen. Deze wijziging in uw leefsituatie heeft gevolgen voor uw uitkering. Op basis van u nieuwe situatie komt u mogelijk in aanmerking voor de gehuwdennorm. Dit betekent dat u recht op bijstand opnieuw moet worden vastgesteld. Uw huidige uitkering wordt daarom beëindigd. U en uw partner dienen samen een nieuwe aanvraag voor bijstand in te dienen. U kunt dit doen via de volgende link: (…). Mocht u nog vragen hebben kunt u altijd contact opnemen via dit e-mail adres: (…)”.
4.1.
Verzoeker maakt bezwaar tegen de beëindiging van zijn bijstandsuitkering en dient tevens op 25 juli 2025 een verzoek om een voorlopige voorziening in met het verzoek om de beëindiging van zijn bijstandsuitkering te schorsen.
4.2.
De rechtbank heeft vervolgens bij brief van 28 juli 2025 partijen uitgenodigd voor een zitting op maandag 18 augustus 2025. De gemachtigde van verzoeker heeft de rechtbank bij e-mailbericht van 31 juli 2025 verzocht om een andere zittingsdatum omdat hij op 28 juli 2025 verhinderd is vanwege vakantie. Bij brieven van 1 augustus 2025 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het uitstelverzoek van verzoeker is toegewezen en partijen uitgenodigd voor een zitting op 11 september 2025. Bij e-mailbericht van 5 augustus 2025 heeft verzoeker het verzoek ingetrokken. Hij licht toe dat verweerder verzoeker is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb door € 1.300,61 aan verzoeker over te maken en verzoekt om een veroordeling van het college in de proceskosten.
4.3.
Het college heeft bij e-mailbericht van 7 augustus 2025 gereageerd op het verzoek. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoeker. Het college heeft toegelicht dat er geen sprake was van beëindiging van de bijstandsuitkering maar een (mogelijke) wijzing van de norm door de inwoning van zijn partner. De inkomensconsulent heeft in het e-mailbericht van 25 juli 2025 bedoeld te zeggen dat de huidige norm (mogelijk) gaat veranderen van alleenwonend 70% basisnorm naar gezinsnorm 100% basisnorm. Het is echter ongelukkig uitgedrukt door de inkomensconsulent door het woord ‘beëindigd’ te gebruiken
.Over de maand juli 2025 is de norm ‘alleenwonend 70% basisnorm’ nog uitbetaald. Wat later dan gebruikelijk omdat de partner van verzoeker nog steeds in afwachting was van een verblijfsdocument. Ter onderbouwing heeft het college een uitdraai van het uitkeringsdossier overgelegd. Daaruit blijkt dat eiser over de maand juli 2025 een bedrag van € 1.300,61 aan bijstand uitbetaald heeft gekregen. Het college heeft aanvullend bij e-mailbericht van 22 augustus 2025 nog een rapport overgelegd van diezelfde datum. In het rapport staat dat verzoeker zich op 28 juli 2025 heeft gemeld en heeft aangegeven dat zijn partner per 4 juli bij hem is komen inwonen. Zijn partner heeft een IND formulier getekend dat zij binnen een jaar in Nederland geen bijstand kan aanvragen. Verder staat er dat de bijstand naar de norm van alleenstaande is betaald in de maand juli en dat een aanvraaglink is verstuurd naar verzoeker zodat hij gegevens kan aanleveren en de norm kan worden aangepast en het recht op bijstand kan worden vastgesteld.
4.4.
Gelet op de gedingstukken en het procesverloop is het college niet tegemoet gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening. Los van de vraag of het e-mailbericht van 25 juli 2025 aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot beëindiging van zijn bijstandsuitkering, is er geen ‘nieuw’ besluit genomen door het college waarbij is tegemoetgekomen aan verzoeker. Het college heeft toegelicht waarom de bijstand met enkele dagen vertraging is uitbetaald aan verzoeker in juli 2025. De (vertraagde) uitbetaling op zich betreft een feitelijke handeling en geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Van een voorlopige opschorting van een besluit of maatregel waarbij is tegemoetgekomen aan het verzoek van verzoeker kan niet worden gesproken. Gelet hierop is er geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb die een proceskostenveroordeling rechtvaardigt. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3.Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.