ECLI:NL:RBDHA:2025:24047

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
NL25.58230
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring in het bestuursrechtelijke kader van de Vreemdelingenwet

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 11 december 2025, wordt de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring van eiser, die in vreemdelingenbewaring is gesteld, getoetst. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel, die op 26 juni 2025 is opgelegd op basis van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 4 december 2025 zonder zitting. De rechtbank overweegt dat de maatregel van bewaring eerder rechtmatig is bevonden en dat de toetsing zich richt op de periode na 22 oktober 2025. Eiser stelt dat er geen zicht op uitzetting is en dat verweerder een verzwaarde belangenafweging had moeten maken, maar de rechtbank oordeelt dat de belangenafweging correct is uitgevoerd en dat er wel degelijk zicht op uitzetting naar Libië is. De rechtbank wijst erop dat eiser niet voldoende meewerkt aan zijn uitzetting en dat dit zijn situatie bemoeilijkt. Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58230

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 26 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 4 december 2025.

Overwegingen

Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 oktober 2025 (in de zaak NL25.50331) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 22 oktober 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 22 oktober 2025 tot 4 december 2025.
Verslag vertrekgesprek
3. Eiser stelt terecht dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat er op 11 november 2025 een vertrekgesprek heeft plaatsvonden en dat het verslag hiervan niet in het dossier zit. De rechtbank verzoekt verweerder deze alsnog aan het dossier toe te voegen.
Verzwaarde belangenafweging
4. Eiser betoogt dat verweerder in zijn geval (eerder) een verzwaarde belangenafweging had moeten maken. Hiertoe voert eiser aan dat hij zich sinds 11 april 2025 in de macht van de Nederlandse autoriteiten bevindt en verweerder daarom op 11 oktober 2025 een verzwaarde belangenafweging had moeten maken. Bovendien is de verzwaarde belangenafweging van 7 november 2025 niet actueel en niet duidelijk verricht. De belangenafweging dateert namelijk alweer van enkele weken geleden en het is onduidelijk in hoeverre deze belangenafweging ‘verzwaard’ is uitgevoerd. Daarbovenop kan niet worden vastgesteld of deze belangenafweging wel met eiser is besproken, aangezien het verslag van het vertrekgesprek van 11 november 2025 (van na de belangenafweging van 7 november 2025) zich niet in het dossier bevindt.
5. Volgens het beleid van verweerder, zoals neergelegd in paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), is verweerder na een aaneengesloten periode van zes maanden vreemdelingenbewaring gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken. De gehele periode van inbewaringstelling, ook indien de vreemdeling krachtens verschillende grondslagen in bewaring heeft gezeten, dient hij bij deze belangenafweging te betrekken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR5190, volgt dat ook de eventueel tussengelegen periode van strafrechtelijke detentie hierbij betrokken dient te worden. Deze verzwaarde belangenafweging moet kenbaar in het besluit worden gemotiveerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2831).
6. Uit het rechtbankdossier volgt dat eiser op 11 april 2025 voor het eerst in vreemdelingenbewaring (onrechtmatig verblijf) is gesteld. Deze maatregel is vervolgens op 23 mei 2025 opgeheven en eiser heeft vanaf deze datum tot 18 juni 2025 in strafrechtelijke detentie verbleven. Op 18 juni 2025 is eiser opnieuw in vreemdelingenbewaring gesteld in het kader van de asielprocedure van eiser. Op 26 juni 2025 is die maatregel van bewaring wederom omgezet. De huidige bewaringsmaatregel dateert van 26 juni 2025. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 5. is overwogen, was verweerder gehouden uiterlijk 11 oktober 2025 een verzwaarde belangenafweging te maken. Uit de voortgangsrapportage van 28 november 2025 volgt dat verweerder op 7 oktober 2025 een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt en dat dit tijdens het vertrekgesprek van 14 oktober 2025 met eiser is besproken. Ten aanzien van de verzwaarde belangenafweging van 7 november 2025 merkt de rechtbank op dat verweerder niet gehouden was deze te maken. De verzwaarde belangenafweging van 7 oktober 2025 valt buiten de te toetsen periode. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Zicht op uitzetting
7. Eiser voert daarnaast aan dat er geen zicht op uitzetting is. Hiertoe voert eiser aan dat er dertien keer is gerappelleerd bij de Libische autoriteiten sinds de laissez-passer (lp) aanvraag van 25 februari 2025, maar dat dit nergens toe geleid heeft.
8. De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Libië niet ontbreekt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de recente uitspraak van de Afdeling van 1 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4156, waaruit volgt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Libië niet ontbreekt. Het is de rechtbank niet van omstandigheden gebleken waaruit volgt dat zicht op uitzetting naar Libië in zijn algemeenheid nu wel zou ontbreken.
9. Over het zicht op uitzetting in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. De op 3 maart 2025 (de rechtbank gaat uit van de datum waarop de lp-aanvraag naar de Libische autoriteiten is verzonden) ingediende lp-aanvraag voor Libië is nog in behandeling. Dat er tot op heden geen (positieve) reactie van de Libische autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent, mede gelet op wat er onder rechtsoverweging 8. is overwogen, niet dat in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Met een lp-traject gaat in het algemeen de nodige tijd gemoeid, zeker als een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, niet meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank wijst in dit verband ook op het (meest recent beschikbare) vertrekgesprek van 30 oktober 2025. Uit het verslag daarvan blijkt dat eiser heeft verklaard niet mee te willen werken aan terugkeer naar Libië. Bovendien heeft eiser eerdere weigeringen gedaan om mee te werken aan de presentatie bij de Libische autoriteiten en heeft hij geen actie ondernomen om zijn identiteit en nationaliteit te verifiëren. Daarnaast rust op eiser de verplichting om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en het lp-traject. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject, als hij wel voldoende zou meewerken, op niets uit zullen lopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.