ECLI:NL:RBDHA:2025:24057

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
SGR 25/1332
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inzageverzoek op grond van de AVG en de reikwijdte van het verzoek

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 16 december 2025, in de zaak SGR 25/1332, wordt het beroep van eiser tegen de besluitvorming over zijn inzageverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) behandeld. Eiser had op 29 augustus 2023 een inzageverzoek ingediend bij de minister van Financiën, die dit verzoek op 16 oktober 2023 gedeeltelijk toewijsde. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna de minister op 8 januari 2025 het bezwaar gegrond verklaarde en aanvullende inzage bood. Eiser ging in beroep omdat hij vond dat er onvoldoende inzage was gegeven in de verwerking van zijn persoonsgegevens, met name in een specifiek databestand. De rechtbank oordeelt dat de reikwijdte van het inzageverzoek correct is vastgesteld door de minister en dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn stellingen dat er meer persoonsgegevens zouden moeten zijn. De rechtbank concludeert dat de minister voldoende inzage heeft geboden en dat de overige beroepsgronden van eiser niet slagen. Wel wordt de minister veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep, en tot een schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de proceskostenvergoeding betreft, maar laat de overige rechtsgevolgen in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1332

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [dwergstaat] , eiser

(gemachtigden: mr. A.B. Vissers en mr. R.M. van de Wal),
en

de minister van Financiën, verweerder

(gemachtigden: mr. M.M.J. Hoek en mr. drs. M.A.N. van de Kerkhof).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de besluitvorming over zijn inzageverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
1.1
Eiser heeft op 29 augustus 2023 een inzageverzoek op grond van artikel 12 en artikel 15 van de AVG ingediend bij verweerder.
1.2
Bij besluit van 16 oktober 2023 (primaire besluit) heeft verweerder dit verzoek toegewezen en inzage geboden in de van eiser verwerkte persoonsgegevens.
1.3
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
1.4
Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Naast de genoemde persoonsgegevens in het primaire besluit heeft verweerder ook inzage en toelichting geboden in de nog nadere door verweerder verwerkte persoonsgegevens van eiser.
1.5
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.6
Verweerder heeft op de beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.
1.7
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder en mr. R.M. van de Wal als de gemachtigde van eiser. Namens eiser was ook [naam] aanwezig op de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft bij verweerder om inzage in en afschrift van de verwerking van zijn persoonsgegevens verzocht ten aanzien van:
  • de Fraude Signalering Voorziening (FSV) en vergelijkbare systemen;
  • de woonplaats van betrokkene;
  • de zakelijke relatie van betrokkene;
  • persoonsgegevens verstrekt door derden;
  • persoonsgegevens verstrekt aan derden.
2.1
Bij het primaire besluit heeft verweerder medegedeeld dat geen persoonsgegevens van eiser zijn verwerkt in de FSV en dat deze ook niet met of door derden zijn gedeeld. Verweerder heeft bij het primaire besluit ook inzage geboden in de persoonsgegevens van eiser die zijn aangetroffen bij de verrichte zoekslag in de algemene systemen en applicaties die verweerder gebruikt heeft voor heffing van inkomstenbelasting.
2.2
Na de uitgebrachte vooraankondiging heeft eiser geen gebruik gemaakt van zijn recht om gehoord te worden of een toelichting te geven op zijn bezwaar.
2.3
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. Verweerder erkent dat het inzageverzoek van eiser ten onrechte te beperkt is opgevat en heeft – in aanvulling op de eerdere zoekslag – medegedeeld dat ook drie bankrekeningnummers op naam van eiser zijn gebruikt voor de inkomstenbelasting. Ten aanzien van het verzoek om inzage in de gegevensverwerking door de systeem overstijgende zoekmogelijkheid RAM heeft verweerder medegedeeld dat het extern onderzoek naar dit datasysteem nog loopt en dat het verzoek van eiser daartoe pas in behandeling kan worden genomen als dit externe onderzoek is afgerond. Ten aanzien van de gegevensverwerking in het [LXX bestand] heeft verweerder medegedeeld dat dit databestand is opgeslagen in een datakluis, waartoe enkel een kluisbeheerder toegang heeft. Na raadpleging van de kluisbeheerder heeft verweerder aangegeven dat eiser op deze lijst voorkomt en dat geen andere persoonsgegevens van eiser in dit bestand zijn verwerkt dan de persoonsgegevens die al aan eiser zijn verstrekt. Tot slot is door verweerder in de bestreden besluitvorming benadrukt dat het inzagerecht geen recht geeft op overlegging van kopieën van documenten met daarin persoonsgegevens van eiser.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
3. Eiser vindt dat verweerder onvoldoende inzicht heeft geboden in de verwerking van zijn persoonsgegevens in het [LXX bestand] . Eiser voert aan dat dit databestand in een datakluis is gezet, omdat deze gegevensverwerking in strijd is met de AVG en dat deze lijst daarom niet meer gebruikt mag worden. Eiser wil weten met welk doel deze lijst ooit is opgesteld en op welke wijze deze lijst is gebruikt door de Belastingdienst. Eiser heeft daar belang bij, nu verweerder in het bestreden besluit erkent dat zijn naam en persoonsgegevens in dit [LXX bestand] zijn genoemd en verzoekt daarom inzage in deze gegevens. Ook meent eiser dat de zoekslag door verweerder onvoldoende is geweest. Eiser is er mee bekend dat verweerder meerdere onderzoeken naar hem heeft lopen, o.a. een woonplaatsonderzoek en een onderzoek in het kader van de heffing van erfbelasting. Eiser heeft ten onrechte geen inzage in die gegevens gekregen. Ook heeft eiser recht op inzage in de verwerking van subjectieve persoonsgegevens, zoals analyses, beoordelingen, indrukken en interpretaties van verweerder in het kader van de belastingheffing, waarbij wordt verwezen naar een arrest [1] van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Volgens eiser heeft hij recht op de integrale stukken waarin zijn persoonsgegevens zijn verwerkt en niet enkel een uittreksel van die gegevens. Eiser wijst hierbij op een arrest [2] van het Hof van Justitie van de Europese Unie en stelt dat het verkrijgen van kopieën van de integrale documenten onontbeerlijk is om zijn rechten onder de AVG optimaal te effectueren. Tot slot voert eiser aan dat verweerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor het bezwaar heeft toegekend in het bestreden besluit.
4. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, enkel vanwege het niet toekennen van een proceskostenvergoeding in bezwaar. De overige beroepsgronden die door eiser zijn aangevoerd slagen volgens verweerder niet.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Reikwijdte inzageverzoek
5. Uit vaste jurisprudentie [3] volgt dat de reikwijdte van het AVG inzageverzoek in beginsel wordt bepaald door het inzageverzoek zelf. De rechtbank stelt vast dat in het primaire besluit is beslist over inzage in de verwerking in de FSV en in algemene gegevens die zijn gebruikt in het kader van de inkomstenbelasting. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser heeft verweerder nog enkele persoonsgegevens die zijn verwerkt in het kader van de inkomstenbelasting nader aangevuld.
5.1
Gelet op de nadere precisering van het inzageverzoek in bezwaar, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de omvang van het inzageverzoek niet ten onrechte tot deze onderwerpen heeft beperkt. De rechtbank betrekt in dat oordeel dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om gehoord te worden over zijn bezwaar en verweerder de omvang van het geschil dus mocht baseren op de schriftelijke bezwaargronden. Verweerder heeft op basis van deze bezwaargronden besloten om in het besluit op bezwaar ook een beslissing te nemen over inzage in de verwerking van eisers persoonsgegevens in o.a. het [LXX bestand] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de reikwijdte van het AVG inzageverzoek, zoals door eiser nader gepreciseerd in bezwaar, op juiste wijze bepaald en was, gelet op de verdere algemene formulering van het verzoek, niet verplicht om dit ruimer op te vatten. De stelling in beroep dat verweerder ook verplicht was om inzage te geven in gegevensverwerking in het kader van de erfbelasting en het woonplaatsonderzoek dat daarvoor is uitgevoerd, wordt dan ook niet gevolgd. Het is aan eiser om zijn inzageverzoek te preciseren en hiervoor heeft eiser voldoende mogelijkheden gehad. Dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om gehoord te worden, komt hier voor zijn eigen rekening en risico. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie [4] volgt dat een inzageverzoek geen
‘fishing expedition’mag inhouden en dat bij zeer algemeen verwoorde inzageverzoeken, zoals de onderhavige, enkel de informatie uit de meest gangbare systemen hoeft te worden verstrekt. Zoals verweerder terecht op zitting heeft opgemerkt staat voor inzage in de gegevens over de erfbelasting en de onderzoeken die in dat kader zijn uitgevoerd, zoals een woonplaatsonderzoek, de weg van een nieuw, zelfstandig en gepreciseerd inzageverzoek voor eiser open.
Omvang van het geschil in beroep
6. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 5.1 is overwogen, zullen de door eiser in beroep aangevoerde stellingen over (lopende) kwesties over erfbelasting en het woonplaatsonderzoek buiten beschouwing worden gelaten. Ook over de verwerking van persoonsgegevens in de FSV en de inkomstenbelasting zijn in beroep geen gronden meer aangevoerd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat over de inzage in die persoonsgegevens geen oordeel wordt verlangd. Op basis van de beroepsgronden, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting concludeert de rechtbank dat de kern van het geschil de inzage in de verwerking van eisers persoonsgegevens in het [LXX bestand] betreft.
Zoekslag binnen het [LXX bestand]
7. Uit vaste rechtspraak [5] van de hoogste bestuursrechter volgt dat degene die stelt dat er meer persoonsgegevens moeten zijn, nadat de verwerkingsverantwoordelijke onderzoek naar die persoonsgegevens heeft gedaan, en niet ongeloofwaardig heeft medegedeeld dat er niet meer persoonsgegevens zijn, aannemelijk moet maken dat er wel meer persoonsgegevens moeten zijn.
7.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het bestreden besluit voldoende inzage heeft geboden in de verwerking van persoonsgegevens van eiser in het [LXX bestand] . Door verweerder is aangegeven dat, na raadpleging van de kluisbeheerder, gebleken is dat eiser vermeld wordt in dit databestand. Daarbij is ook aangegeven dat in het [LXX bestand] geen andere persoonsgegevens van eiser zijn verwerkt dan die al aan eiser zijn bekendgemaakt in het kader van dit inzageverzoek ten aanzien van de inkomstenbelasting, zoals naam, BSN, huidige en vorige adressen, vastgoed, zakelijke relaties en gebruikte banknummers.
7.2
Het enkele vermoeden van eiser dat er meer persoonsgegevens van hem in dit [LXX bestand] moeten voorkomen, omdat eiser een aantal langlopende procedures over aanslagen erf- en inkomstenbelasting heeft met de fiscus, is onvoldoende voor gerechtvaardigde twijfel aan de conclusie van verweerder dat er niet meer dan de al bekende persoonsgegevens in dit bestand zijn verwerkt. Eiser heeft in dit kader geen concrete aanknopingspunten of argumenten aangevoerd die maken dat twijfel ontstaat over de volledigheid van de door verweerder verrichte zoekslag. De beroepsgrond slaagt niet.
Subjectieve persoonsgegevens
8. In artikel 4 van de AVG wordt het begrip “persoonsgegevens” gedefinieerd als “alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon”. Met het gebruik van de term “alle informatie” heeft de Uniewetgever bedoeld een ruime betekenis te geven aan het begrip persoonsgegevens, dat zich in beginsel uitstrekt tot zowel objectieve informatie, als namen en adressen, als subjectieve informatie, in de vorm van meningen en beoordelingen, zo lang deze informatie de betrokken natuurlijke persoon betreft. [6]
8.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat bij de verrichte zoekslag binnen het [LXX bestand] geen subjectieve persoonsgegevens van eiser zijn aangetroffen. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die maken dat getwijfeld dient te worden aan deze conclusie van verweerder. De ontkenning van verweerder dat in het [LXX bestand] geen subjectieve persoonsgegevens over eiser voorkomen, zoals meningen, beoordelingen of indrukken van zijn gedrag als belastingplichtige, komt de rechtbank dan ook niet ongeloofwaardig voor.
Recht op onderliggende documenten
9. Het doel van het inzagerecht als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de AVG is het kennis kunnen nemen van de persoonsgegevens door de betrokkene en die persoonsgegevens kunnen controleren op de juistheid en de rechtmatige verwerking ervan. Het is vaste rechtspraak [7] dat de verplichting een ‘kopie van de persoonsgegevens’ te verstrekken op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG niet betekent dat een bestuursorgaan verplicht is een kopie te verstrekken van de documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een bestuursorgaan mag ook voor een andere vorm kiezen, mits met de gekozen wijze van verstrekking het doel van artikel 15, derde lid, van de AVG wordt bereikt en de betrokkene zijn rechten onder de AVG kan effectueren. Dit is in lijn met vaste jurisprudentie [8] van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaruit volgt dat de betrokkene een getrouwe en begrijpelijke reproductie van alle persoonsgegevens moet krijgen. Dit kan betekenen dat een kopie van een volledig document noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat anders de context waarin de gegevens worden verwerkt onvoldoende duidelijk is.
9.1
Uit het voorgaande blijkt dat een kopie van een volledig document niet in elk geval noodzakelijk is en dat in gevallen dus ook met een overzicht of uittreksel van de gegevens kan worden volstaan. Gelet op het overzicht van persoonsgegevens dat in het primaire en het bestreden besluit is geboden en de schriftelijke toelichting daarbij in de besluitvorming en op de zitting, heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, de context waarin deze gegevens zijn verwerkt voldoende duidelijk gemaakt. Duidelijk is dat in het [LXX bestand] niet meer of andere persoonsgegevens van eiser zijn verwerkt dan in het kader van de inkomstenbelasting. Daarbij valt niet in te zien dat de verstrekte persoonsgegevens, zoals die zijn opgenomen in het overzicht, zonder verdere context niet op juistheid te controleren zouden zijn. Verweerder heeft in zoverre dan ook kunnen volstaan met het verstrekken van een overzicht van de over eiser verwerkte persoonsgegevens. Niet is gebleken dat eiser zijn rechten onder de AVG, zoals het recht op rectificatie en wissing, niet kan uitoefenen zonder het verkrijgen van deze integrale, onderliggende documenten.
9.2
De rechtbank overweegt daarbij ten overvloede dat eiser er in het verweerschrift op is gewezen dat ten aanzien van het woonplaatsonderzoek afzonderlijke rechtsmiddelen openstaan, die wel een zelfstandig recht kunnen geven op de integrale stukken.
Proceskostenvergoeding bezwaar
10. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser recht heeft op een proceskostenvergoeding in bezwaar vanwege een onzorgvuldige voorbereiding van het primaire besluit. Het beroep is om die reden gegrond en de rechtbank zal dit gebrek met deze uitspraak herstellen.
Overschrijden redelijke termijn
11. Namens eiser is op de zitting verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank beoordeelt dit verzoek aan de hand van het overzichtsarrest [9] van de Hoge Raad van 19 februari 2016. Uitgangspunt is dat de behandeling door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn is geweest, als de uitspraak niet binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift is gedaan. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
12. Vaststaat dat verweerder het bezwaarschrift op 29 november 2023 heeft ontvangen. Het besluit op bezwaar dateert van 8 januari 2025 en deze uitspraak van de rechtbank is gedateerd op 16 december 2025. Daarmee heeft de bezwaar- en beroepsfase tezamen 2 jaar en 17 dagen geduurd en is sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Uit het procesverloop blijkt dat de behandeling van het beroep door de rechtbank minder dan de maximale anderhalf jaar heeft geduurd, terwijl de behandeling van het bezwaar de termijn van zes maanden ruim heeft overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is dan ook toe te rekenen aan verweerder. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding rechtvaardigen is niet gebleken. Omdat de overschrijding korter is dan 6 maanden, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van €500,- aan immateriële schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, omdat daarin ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor het bezwaar van eiser is toegekend.
14. De rechtbank ziet mogelijkheden voor finale geschilbeslechting en zal zelf in de zaak voorzien door verweerder alsnog te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit bedrag wordt vastgesteld op € 647,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, waarde € 647,- per punt, met een wegingsfactor 1).
15. Omdat de overige beroepsgronden gericht tegen het bestreden besluit niet slagen, worden de overige rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Dat betekent dat verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, met het bestreden besluit, op het niet toekennen van de proceskostenvergoeding in bezwaar na, een juridisch juiste beslissing heeft genomen over dit AVG-inzageverzoek. Verweerder hoeft dan ook niet opnieuw op het bezwaar te beslissen.
16. Omdat het beroep gegrond is, bestaat in dit geval ook aanleiding om verweerder tot vergoeding van de proceskosten voor deze beroepsprocedure te veroordelen. Voor het beroep wordt dit bedrag vastgesteld op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, waarde van € 907,- per punt, wegingsfactor 1).
17. Gelet op rechtsoverweging 12 dient verweerder voor het overschrijden van de redelijke termijn een schadevergoeding van € 500,- aan eiser te betalen.
18. Verweerder wordt op grond van artikel 8:82, vijfde lid van de Awb ook opgedragen het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit, voor zover verweerder heeft nagelaten te beslissen op eisers verzoek om vergoeding van de door hem in bezwaar gemaakte proceskosten;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats van het vernietigde besluitonderdeel treedt;
  • laat de overige rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 647,- voor de behandeling van het bezwaar;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,- voor de behandeling van het beroep;
  • veroordeelt verweerder tot een immateriële schadevergoeding van € 500,- voor de overschrijding van de redelijke termijn;
  • gelast dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak staat hierboven met een stempel vermeld.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.

Voetnoten

1.Zie het arrest van 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:994, rechtsoverweging 34.
2.Zie het arrest van 4 mei 2023, zaaknummer C-487/21, ECLI:EU:C:2023:369,
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 10 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2509, rechtsoverweging 4.
4.Zie het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:363.
5.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:14
6.Vergelijk deze uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:367.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:647, rechtsoverweging 4.2.
8.Zie het arrest