Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- [appellant] ;
- de heer mr. [jurist bij Van Lanschot] , jurist bij [bankiers] , bijgestaan door mr. B.W. Wijnstekers.
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 31 januari 2017;
- het formulier d.d. 13 oktober 2017 van [bankiers] , met bijlagen 3 en 4;
- de brief d.d. 19 oktober 2017 van [appellant] , met als bijlagen de stukken van eerste aanleg;
- de ter zitting overgelegde en voorgedragen pleitnota van mr. Wijnstekers.
3.De beoordeling
De indiening van het verzoekschrift behoeft niet door een advocaat te geschieden.”
De indiening geschiedt in zaken waarvan een rechterlijk college of zijn president kennis neemt, door een procureur(…)".
Vanuit die optiek wil richtlijn 95/46 het vrije verkeer van persoonsgegevens verzekeren maar tevens een hoog beschermingsniveau verzekeren van de rechten en belangen van de personen waarop die gegevens betrekking hebben.
, voorzover geen enkele andere bepaling van gemeenschapsrecht daaraan in de weg staat.
Zoals blijkt uit punt 41 van de considerans van deze richtlijn, moet de betrokkene, teneinde de nodige controles te kunnen verrichten, krachtens artikel 12, sub a, daarvan over het recht beschikken om toegang te verkrijgen tot de hem betreffende gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen. Dit recht op toegang is met name noodzakelijk opdat de betrokkene eventueel van de voor de verwerking verantwoordelijke gedaan kan krijgen dat deze zijn gegevens rectificeert, uitwist of afschermt, en bijgevolg het in artikel 12, sub b, van die richtlijn bedoelde recht kan uitoefenen (zie in die zin arrest Rijkeboer, C 553/07, EU:C:2009:293, punten 49 en 51).
Dat wil zeggen dat de betrokkene daardoor in staat wordt gesteld kennis te nemen van die gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met deze richtlijn, opdat die betrokkene eventueel de hem bij de artikelen 12, sub b en c, 14, 22 en 23 daarvan verleende rechten kan uitoefenen (zie in die zin arrest Rijkeboer, EU:C:2009:293, punten 51 en 52).
Teneinde de betrokkene geen toegang te geven tot andere informatie dan de hem betreffende persoonsgegevens, kan hij een afschrift krijgen van het originele document of bestand waarin die andere informatie onleesbaar is gemaakt.”
70.
7.3. Volgens het Hof van Justitie zijn de gegevens over de aanvrager van een verblijfstitel die in de ‘minuut’ zijn weergegeven, en in voorkomend geval die welke in de juridische analyse in die minuut zijn weergegeven, “persoonsgegevens” in de zin van artikel 2, sub a, van de Richtlijn, maar kan die analyse als zodanig niet aldus worden gekwalificeerd (arrest van het Hof van Justitie, punten 38 en 39).
alle[cursivering: hof DB] bescheiden waarop de persoonsgegevens van [verzoeker] c.s. en/of hun vennootschappen voorkomen”, overwogen dat (r.o. 7.12.6) “
Het verzoek van [verzoeker] c.s. heeft aldus betrekking op een groot aantal bescheiden, terwijl van meer dan een vermoeden dat de gevraagde bescheiden meer of andere persoonsgegevens van [verzoeker] c.s. bevatten dan die reeds aan hen zijn verstrekt, geen sprake is”.
Deze formulering is zo weinig specifiek, dat de Rabobank gedwongen wordt alle bij haar aan te treffen (digitale) documenten, niet één uitgezonderd, te doorzoeken om daaruit die stukken te selecteren waarin (telkens) tenminste één van de persoonsgegevens van [verzoeker] c.s. voorkomt en in dat verband kosten te maken”, hetgeen het hof in genoemd arrest tot het eindoordeel brengt dat “Hiermee is het hof van oordeel dat het kennisnemingsverzoek van [verzoeker] c.s. zo weinig concreet is dat gesproken moet worden van een ontoelaatbare “fishing expedition”.
In de conclusie van AG Wuisman van 15 januari 2016 (ECLI:NL:PHR:2016:1) bij het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2016 staat onder meer opgenomen:
2.2.1. De klacht slaagt niet. Hetgeen het hof in de rov. 7.12.1 t/m 7.12.3 overweegt, moet men bezien in het licht van zijn vaststelling in rov. 7.8 dat [verzoeker] c.s. de uitspraak van het Hof van Justitie aldus interpreteren dat er een recht bestaat op inzage in èlk stuk waarin persoonsgegevens zijn verwerkt en dat [verzoeker] c.s. dan ook van mening zijn dat Rabobank hen inzage moet geven in àlle in hun verzoekschrift genoemde bescheiden, de interne notities van medewerkers van Rabobank daaronder begrepen, voor zover daarin persoonsgegevens zijn verwerkt. Dat standpunt verwerpt het hof in de rov. 7.12.1 t/m 7.12.3.Voor wat artikel 12 aanhef Pro en sub a EG-richtlijn 95/46 betreft doet het hof dat terecht, gelet op rov. 59 van de uitspraak van 17 juli 2014 van het Hof van Justitie. Maar ook voor artikel 35 Wbp Pro geldt dat dat artikel niet zonder meer recht geeft op inzage in een (afschrift van een) stuk, waarin een persoonsgegeven is opgenomen[vet, hof DB]. Zoals uit het hiervoor in 2.3 vermelde citaat uit rov. 3.6 van het Dexia-arrest van 29 juni 2007 blijkt, hangt het van de omstandigheden af of inzage dient te worden verleend in (een afschrift van) het stuk waarin een persoonsgegeven is opgenomen.”
Bedoeld citaat luidt als volgt: (…)
(…) “
Gelet op wat het hof in de rov. 7.13.5 t/m 7.12.6 en 7.12.7 overweegt, valt veeleer aan te nemen dat het hof met ‘fishing expedition’ in rov. 7.12.8 niet meer beoogt aan te geven dan dat het algemene verzoek van [verzoeker] c.s. een veel te omvangrijke en daarmee kostbare zoektocht binnen bij Rabobank aanwezige documenten, waaronder ook documenten van digitale aard, meebrengt en dat dit in redelijkheid niet van Rabobank valt te vergen. Dit vindt nog hierin bevestiging dat het hof in rov. 7.12.8 over het kennisnemingsverzoek van [verzoeker] c.s. opmerkt dat het zo weinig concreet is. Een en ander voert tot de slotsom dat de klachten in de onderdelen 9 en 10 geen doel treffen wegens gemis aan feitelijke grondslag”.
Door [appellant] is niet toegelicht hoe de door hem in algemene zin aangehaalde rechtspraak ter zake ambtshalve toetsing in consumentenzaken in de onderhavige zaak ook toepassing zou (dienen te) vinden. Nu het [appellant] bovendien vrijstaat op korte termijn (“vrijelijk en met redelijke tussenpozen”, artikel 35 lid 1 Wbp Pro) een gericht en duidelijk onderbouwd nieuw verzoek te doen aan [bankiers] , vermag het hof voorts niet in te zien dat en zo ja welk ambtshalve optreden zijnerzijds hier aan de orde zou (kunnen) zijn.
Het voorgaande betekent dat het hof in het onderhavige geval eveneens sprake acht van een ‘
fishing expedition”, nu [appellant] (althans geacht moet worden) slechts een algemeen verzoek heeft (te hebben) gedaan zonder ook maar een begin van verduidelijking te geven waar hij, gegeven de informatieverstrekking als opgenomen in de brief van 31 oktober 2016, meer duidelijkheid over wenst.
Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat die heffing kosten doet ontstaannaast de kosten voor de voorziening in rechte.[vet, hof DB]
aan verbonden zijn.