ECLI:NL:RBDHA:2025:24190

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
NL25.8870
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van een Iraanse vrouw die zich heeft bekeerd tot het christendom en vreest voor vervolging bij terugkeer naar Iran

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 10 december 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure van een Iraanse vrouw die zich heeft bekeerd tot het christendom. De vrouw, geboren in 1981, heeft in maart 2022 samen met haar echtgenoot en kinderen Iran verlaten vanwege problemen met haar echtgenoot en haar eigen bekering. Ze heeft een asielaanvraag ingediend in Nederland, maar deze is door de minister van Asiel en Migratie afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank heeft het beroep van de vrouw gegrond verklaard, omdat de minister de geloofwaardigheid van haar afvalligheid van de islam en de daaruit voortvloeiende problemen niet voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat de vrouw bij terugkeer naar Iran geen gegronde vrees voor vervolging heeft. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister niet heeft aangetoond dat de vrouw zich bij aankomst in Iran terughoudend moet opstellen en dat de problemen met haar broer, die haar heeft bedreigd vanwege haar bekering, niet voldoende zijn beoordeeld. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen om binnen tien weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van de vrouw.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8870

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [nummer 1], eiseres,

mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1], V-nummer: [nummer 2], en
[minderjarige 2], V-nummer: [nummer 3]
(gemachtigde: mr. M. Gavami),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres, gelijktijdig met het beroep van haar echtgenoot (zaak NL25.8871), op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiseres, haar echtgenoot, de gemachtigde van eiseres, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Het asielrelaas
1.1.
Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 7 december 2022 heeft zij in Nederland een asielaanvraag ingediend.
1.2.
Eiseres heeft aan haar asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres heeft in maart 2022, samen met haar echtgenoot en kinderen, Iran verlaten vanwege de problemen van haar echtgenoot (zie voor die problemen de zaak van de echtgenoot met zaaknummer NL25.8871, waarin de rechtbank heden tevens uitspraak heeft gedaan). Zelf is eiseres in Iran afgekeerd van de islam en bekeerd tot het christendom. Zij heeft ook haar nichtje in Iran bekeerd. De broer van eiseres – zijnde de vader van het nichtje – is hierachter gekomen en heeft eiseres bedreigd met de dood. Bij terugkeer naar Iran vreest eiseres problemen met de Iraanse autoriteiten vanwege haar afvalligheid en bekering en met haar broer vanwege haar rol in de bekering van haar nichtje.
Het bestreden besluit
2.1.
Verweerder heeft de volgende relevante elementen vastgesteld en beoordeeld:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Afvalligheid, bekering en de daaruit voortvloeiende problemen.
2.2.
Verweerder acht het eerste element geloofwaardig. Verweerder heeft de geloofwaardigheid van het tweede element in het midden gelaten en dit uitsluitend beoordeeld op zwaarwegendheid, zoals beschreven in paragraaf C1/4.1, punt 5, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Verweerder stelt dat de door eiseres gestelde vrees vanwege haar afvalligheid en bekering op voorhand onvoldoende zwaarwegend is om te kunnen leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade.
Volgens verweerder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij door haar afwending van de islam en bekering tot het christendom in de negatieve aandacht staat of zal komen te staan van de Iraanse autoriteiten. Er is volgens verweerder geen sprake van dat eiseres evangeliseert (paragraaf C7/13.3.1 van de Vc). Verder acht verweerder het niet aannemelijk dat eiseres bij terugkeer naar Iran huiskerken zal bezoeken (paragraaf C7/17.3.2 van de Vc), omdat uit haar verklaringen niet blijkt dat het bezoeken van huiskerken een diepgeworteld onderdeel vormt van haar geloofsbeleving. Verder stelt verweerder, onder verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht Iran 2023 (AAB 2023), dat de Iraanse samenleving steeds verder seculariseert. Volgens verweerder heeft eiseres ook niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Iran problemen zal krijgen met haar broer in verband met de bekering van haar nichtje. Het voorgaande brengt verweerder tot de conclusie dat er zich geen asielgrond voordoet in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Gelet hierop, en nu eiseres haar asielaanvraag volgens verweerder niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
Beroepsgronden
3. Volgens eiseres kan, nu de geloofwaardigheid van het tweede element in het midden is gelaten, het risico bij terugkeer en de terughoudendheid die verweerder van haar verlangt, niet deugdelijk worden beoordeeld. Zij voert aan dat zij in Nederland wél haar geloof vrijelijk heeft kunnen uitoefenen en dit ook in Iran wil blijven doen, onder andere door het bezoeken van huiskerken. Onder verwijzing naar literatuur, jurisprudentie van het EHRM, het UNHCR-Handboek, paragraaf C2/3.2.5.1 van de Vc en de landeninformatie over Iran stelt zij dat verweerder van haar geen terughoudendheid mag verlangen bij de uitoefening van haar geloof. Verder stelt zij, onder verwijzing naar twee ongepubliceerde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam (19 oktober 2023, NL23.762, en 27 juni 2023, NL23.14933), dat verweerder het risico voor afvalligen bij ondervraging aan de Iraanse grens ten onrechte niet heeft beoordeeld. Verder heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat zij niet heeft geëvangeliseerd. Zij stelt dat zij dit wél heeft gedaan, onder meer bij haar nichtje, en dat verweerder het begrip ‘evangelisatie’ ten onrechte naar eigen inzicht en in beperkte zin heeft uitgelegd. In beroep heeft zij tevens een individueel rapport van Stichting Gave overgelegd, getiteld
Toetsing bekering(4 juli 2025), en verzocht de daarin vervatte bevindingen als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep.
Het oordeel van de rechtbank
4.1.
Verweerder heeft de geloofwaardigheid van eiseres’ afvalligheid van de islam, haar bekering tot het christendom en de daaruit voortvloeiende problemen (met haar broer) in het midden gelaten en heeft uitsluitend beoordeeld of aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer naar Iran vanwege haar afvalligheid en bekering een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat is volgens verweerder niet het geval.
4.2.
Hierna (onder 5.1-5.2) zal de rechtbank eerst uiteenzetten wat het uitgangspunt is als verweerder een beoordeling verricht op de wijze als onder 4.1. beschreven. Vervolgens zal de rechtbank bespreken of verweerder de situatie bij aankomst (op het vliegveld) in Iran voldoende heeft beoordeeld (6.1-6.2), of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres niet onder het beleid voor Iran inzake groepsvervolging valt (7.1-7.4) en of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres niet onder een risicoprofiel voor Iran valt (8.1-8.7). Tot slot zal de rechtbank beoordelen of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres’ vrees voor haar broer geen asielgrond oplevert (9.1-9.3).
Uitgangspunt bij deze beoordelingswijze
5.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, onder 8.1 en 8.2, geoordeeld dat wanneer verweerder de geloofwaardigheid van een asielmotief in het midden laat, het er bij de rechterlijke toetsing van het besluit voor moet worden gehouden dat verweerder de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. De reden daarvoor is, zo volgt uit die uitspraak, dat de bestuursrechter in staat moet worden gesteld de besluitvorming van verweerder daadwerkelijk en effectief op rechtmatigheid te toetsen. Daarvoor moet duidelijk zijn welke feiten en omstandigheden verweerder ten grondslag heeft gelegd aan zijn beoordeling van de zwaarwegendheid van het asielrelaas en de motivering van het besluit.
5.2.
Voornoemd uitgangspunt betekent in dit geval dat de rechtbank er bij de toetsing van het bestreden besluit van uitgaat dat alle door eiseres gestelde feiten en omstandigheden omtrent haar geloofsovertuiging als geloofwaardig zijn aangenomen. Meer concreet betekent dit dat ervan wordt uitgegaan dat eiseres’ afvalligheid van de islam, haar bekering tot het christendom, in al haar facetten, alsmede de problemen met haar broer geloofwaardig zijn geacht. Dit vormt dan ook het uitgangspunt bij de toetsing van de door verweerder gemaakte risico-inschatting en/of zwaarwegendheidsbeoordeling.
Situatie bij aankomst (op vliegveld) in Iran
6.1.
Voordat wordt toegekomen aan de vraag wat eiseres ín Iran te wachten staat vanwege haar geloofsovertuiging, komt eerst de vraag aan de orde wat haar te wachten staat bij aankomst op het vliegveld in Iran. Eiseres heeft er, in ieder geval in haar zienswijze, uitdrukkelijk op gewezen dat zij vreest om bij aankomst op het vliegveld in Iran onderworpen te worden aan controles en ondervragingen over haar geloof, en daarvoor heeft zij verwezen naar het AAB 2023, p. 114 (e.v.). Verweerder is in het bestreden besluit echter helemaal niet op dit punt ingegaan en heeft dus niet gemotiveerd of het aannemelijk is dat eiseres op het vliegveld in Iran aan controles en ondervragingen zal worden onderworpen, laat staan of het aannemelijk is dat die controles en ondervragingen een reëel risico op vervolging of ernstige schade met zich brengen als gevolg van de als geloofwaardig aan te merken afvalligheid en bekering van eiseres. Reeds hierom berust het bestreden besluit niet op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering.
6.2.
Ter zitting heeft verweerder in dit verband toegelicht dat van eiseres mag worden verwacht dat zij zich bij aankomst in Iran terughoudend opstelt. Verweerder heeft echter niet deugdelijk gemotiveerd waarom van eiseres mag worden verlangd dat zij zich bij aankomst in Iran terughoudend opstelt in de uiting van haar geloof. De rechtbank wijst erop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraken van 9 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:93, r.o. 18.2, en ECLI:NL:RVS:2022:94, r.o. 23.2, waarin weer is verwezen naar diverse arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (bijvoorbeeld het arrest Y en Z van 5 september 2012, ECLI:EU:C:2012:518), volgt dat verweerder van een vreemdeling niet mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofwaardig geachte afvalligheid en geloof – waarvan in deze procedure wordt uitgegaan (zie 5.2) – in het land van herkomst. De rechtbank merkt nog op dat het er in dit verband niet alleen om gaat wat eiseres op het vliegveld tegenover de Iraanse autoriteiten zal vertellen of wat zij zal invullen op een eventueel verplicht af te leggen schriftelijke verklaring, maar ook hoe eiseres in haar uiterlijke verschijningsvorm uiting geeft aan haar geloof, bijvoorbeeld door middel van het dragen (of niet dragen) van bepaalde kleding.
Groepsvervolging: christenen die evangeliseren
7.1.
Volgens paragraaf C7/17.3.1 van de Vc beschouwt verweerder christenen die evangeliseren als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag.
7.2.
Als geloofwaardig is aangenomen dat eiseres haar nichtje in Iran heeft laten bekeren en dat zij dit ook bij haar echtgenoot probeert. Dit maakt volgens verweerder echter niet dat eiseres valt onder het profiel van paragraaf C7/17.3.1 van de Vc. Volgens verweerder kan er in het geval van eiseres niet gesproken worden van ‘evangeliseren’. Eiseres heeft namelijk verklaard dat zij in Nederland en Iran niet de maatschappij is ingegaan om mensen te evangeliseren en zij geeft er ook geen blijk van dat zij het woord van God op een andere manier verspreidt, zo stelt verweerder.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom (vooral) het handelen van eiseres ten opzichte van haar nichtje niet kan worden aangemerkt als evangeliseren in de zin van het beleid. Nog daargelaten dat in het beleid niet is geconcretiseerd wat daarin wordt verstaan onder ‘evangeliseren’, miskent verweerder met zijn argument dat eiseres niet de maatschappij is ingegaan om het woord van God te verspreiden, dat het verkondigen en delen van het evangelie in de privésfeer of een besloten setting ook een vorm van evangelisatie is. Stichting Gave wijst er in haar rapport ook op dat evangeliseren vaak in de privésfeer plaatsvindt en dat er in de situatie tussen eiseres en haar nichtje sprake is van evangelisatie. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder heeft nagelaten te beoordelen of het aannemelijk is dat eiseres in de toekomst opnieuw in de privésfeer of een besloten setting zal evangeliseren, zoals zij bij haar nichtje heeft gedaan. Zelf heeft eiseres in ieder geval verklaard dat zij het ‘goede nieuws van God aan iedereen wil vertellen’ (p. 38 nader gehoor).
7.4.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet voldoet aan het profiel ‘christenen die evangeliseren’, zoals neergelegd in paragraaf C7/17.3.1 van de Vc.
Risicoprofiel: christenen die in Iran nieuwe kerken of huiskerken bezoeken
8.1.
Volgens paragraaf C7/17.3.2 van de Vc merkt verweerder (onder andere) de volgende groepen als risicoprofiel aan: christenen die nieuwe kerken of huiskerken bezoeken.
8.2.
Volgens verweerder valt eiseres niet onder dit risicoprofiel. Verweerder stelt dat het niet aannemelijk is dat eiseres in Iran huiskerken zal bezoeken. Hij wijst er in dit verband op dat uit eiseres’ verklaringen niet volgt dat het bezoeken van huiskerken een diepgeworteld onderdeel is van haar geloofsovertuiging. Daarbij wijst verweerder er verder op dat eiseres eerder in Iran ook geen huiskerken heeft bezocht.
8.3.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de onder 6.2 genoemde uitspraken en de uitspraak van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5349, volgt dat verweerder bij een geloofwaardig geachte afvalligheid en/of bekering moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid en/of geloofsovertuiging. Terughoudendheid in de geloofsuitoefening mag niet worden verlangd. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder voormelde uitspraak van 24 december 2024, r.o. 3.2, dat als een vreemdeling niet uitdrukkelijk verklaart over de manier van uiting van zijn of haar afvalligheid/geloof bij terugkeer, verweerder ervan uit moet gaan dat die vreemdeling na terugkeer op dezelfde wijze uiting aan de afvalligheid/het geloof wil geven als hij of zij in Nederland heeft gedaan.
8.4.
Uit het voorgaande volgt dat bij de beantwoording van de vraag op welke wijze een vreemdeling zijn geloofwaardig geachte afvalligheid/geloof na terugkeer in zijn land van herkomst wil uiten, aanzienlijk gewicht toekomt aan de wijze waarop die vreemdeling in Nederland uiting geeft aan zijn afvalligheid/geloof. Dit betekent dat verweerder moet onderzoeken en beoordelen hoe de vreemdeling in Nederland uiting geeft aan zijn geloofwaardig geachte afvalligheid/geloof. Eiseres heeft hierover tijdens het nader gehoor uitgebreid verklaard. Zo heeft zij verklaard dat zij in Nederland snel in haar geloof is gegroeid en nog steeds groeit (p. 32 nader gehoor) en dat zij hier in Nederland bidt, bijbellessen volgt en regelmatig naar de kerk gaat. Gelet op wat er onder 5.1. en 5.2. is overwogen wordt dit allemaal, dus ook de geloofsgroei in Nederland, als geloofwaardig aangenomen. Verder heeft zij verklaard dat zij haar geloof in Iran op dezelfde manier wil uitoefenen als zij in Nederland doet, wat volgens haar betekent dat zij in Iran zal blijven bidden, de bijbel zal blijven lezen en ook op zoek zal gaan naar een huiskerk (p. 38 nader gehoor). Verweerder heeft in het bestreden besluit echter onvoldoende (kenbaar) betrokken en beoordeeld op welke wijze eiseres in Nederland uiting geeft aan haar als geloofwaardig aan te merken afvalligheid en christelijke geloof. Daardoor heeft verweerder ook geen kenbaar, laat staan deugdelijk gemotiveerd, standpunt ingenomen over de sterkte van haar geloofsovertuiging in Nederland. Gelet hierop komt het argument van verweerder dat het willen bezoeken van huiskerken in Iran niet voortkomt uit een diepgewortelde geloofsovertuiging van eiseres naar het oordeel van de rechtbank ‘uit de lucht vallen’ en berust het niet op een deugdelijke motivering. Dit argument kan, bij gebreke van een deugdelijke motivering, het standpunt van verweerder dat niet aannemelijk is dat eiseres in Iran huiskerken zal bezoeken dan ook niet dragen. Dit standpunt van verweerder kan ook niet worden gedragen door het argument dat eiseres in Iran nooit eerder een huiskerk heeft bezocht. Verweerder heeft namelijk verzuimd in te gaan op de als geloofwaardig aan te merken verklaringen van eiseres die erop neerkomen dat zij haar geloof, door de vrijheid die zij op dit gebied in Nederland heeft ervaren en de groei die zij daardoor heeft kunnen doormaken, in Iran niet opnieuw zal kunnen verbergen en dat zij daar bij terugkeer uiting aan zal geven op dezelfde wijze als in Nederland; of in de woorden van eiseres zelf: “
Wanneer je een vogel uit de kooi laat, kun je hem niet meer in de kooi krijgen” (p. 38 nader gehoor).
8.5.
Verweerder heeft verder nog gesteld dat eiseres zich destijds in Iran heeft geconformeerd aan de plaatselijke gebruiken en haar afvalligheid en bekering voor zichzelf heeft gehouden en dat niet valt in te zien dat eiseres zich niet opnieuw zou kunnen conformeren. Zoals onder 8.4. al is overwogen, heeft verweerder bij zijn besluitvorming de wijze waarop eiseres in Nederland haar als geloofwaardig aan te merken afvalligheid en geloof uitoefent onvoldoende (kenbaar) bij zijn besluitvorming betrokken. Het hiervoor vermelde standpunt van verweerder is hier ook weer een voorbeeld van. Voor zover verweerder met dit standpunt (ook) impliceert dat van eiseres mag worden verlangd dat zij zich in Iran terughoudend opstelt bij haar geloofsuitoefening, overweegt de rechtbank dat verweerder dit niet van eiseres mag verlangen, nu er sprake is van een als geloofwaardig aan te merken afvalligheid en bekering (zie 6.2. en 8.3).
8.6.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiseres in Iran huiskerken zal bezoeken en, in het verlengde hiervan, dat eiseres niet voldoet aan het in het paragraaf C7/17.3.2 van de Vc neergelegde risicoprofiel.
8.7.
Verweerder heeft in het bestreden besluit subsidiair het standpunt ingenomen dat ook als eiseres wel huiskerken zal bezoeken, dit niet zonder meer een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade met zich brengt. Verweerder wijst in dit verband op een (in het AAB 2023 genoemd) rapport van de Australische overheid waaruit blijkt dat vooral (deelnemers van) huiskerken die actief bekeren en op zoek zijn naar nieuwe leden een risico lopen, en stelt dat eiseres op zoek kan gaan naar een huiskerk die niet actief bekeert of niet op zoek is naar nieuwe leden. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder, dat erop neerkomt dat eiseres geen reëel risico loopt als zij naar een huiskerk gaat die niet actief is en niet op zoek is naar nieuwe leden, niet, alleen al niet omdat de huiskerk waarbij eiseres zich zal aansluiten een huiskerk zal zijn die op zoek is naar nieuwe leden; anders zou eiseres immers niet worden toegelaten. Verder geldt dat in het AAB 2023 (op p. 83) juist is vermeld dat in de verslagperiode een toenemend aantal bekeerlingen die huiskerken bezochten, en die geen leider waren, te maken kregen met strafvervolging. Daarbij is ook een niet-uitputtend overzicht van voorbeelden opgenomen van christenen die zijn vervolgd vanwege betrokkenheid bij huiskerkbijeenkomsten (p. 80-81). Hieruit blijkt niet dat deze mensen naar een bepaald type huiskerk gingen, een bijzondere rol binnen de huiskerk hadden of anderszins meer opvielen dan andere huiskerkbezoekers. Gelet hierop, en dan vooral op het toegenomen aantal vervolgingen van huiskerkbezoekers, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres door het bezoeken van een huiskerk in Iran geen reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Het standpunt van verweerder, onder verwijzing naar het AAB 2023 (p. 85), dat de Iraanse samenleving steeds meer seculiere trekken begint te vertonen, maakt het vorenstaande niet anders. Onder de Iraanse bevolking is inderdaad een zekere seculariseringstendens te bespeuren, maar dit leidt juist tot meer repressie en steviger optreden van de Iraanse autoriteiten tegen secularisatie. En eiseres vreest nu juist (ook) voor de Iraanse autoriteiten.
Problemen met de broer vanwege bekering nichtje
9.1.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Iran problemen met haar broer zal krijgen vanwege de bekering van haar nichtje. Hiertoe stelt verweerder dat de tijdens het nader gehoor getoonde WhatsApp-berichten niet van dusdanige bewijswaarde zijn dat de bedreigingen zonder meer gevolgd kunnen worden. Ook heeft eiseres volgens verweerder niet onderbouwd dat haar broer invloedrijke vrienden heeft.
9.2.
Verweerder heeft ook de geloofwaardigheid van de problemen met de broer, waaronder de bedreigingen per WhatsApp, in het midden gelaten, hetgeen blijkens overwegingen 5.1. en 5.2. betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat deze problemen als geloofwaardig zijn aangenomen. Het standpunt van verweerder dat eiseres met de screenshots van WhatsApp-berichten niet heeft onderbouwd dat zij door haar broer is bedreigd, behelst echter toch een geloofwaardigheidsoordeel. Dit is niet in lijn met het onder 4.1. vermelde standpunt van verweerder.
Voor zover verweerder inderdaad heeft bedoeld omtrent de bedreigingen door de broer een geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten, overweegt de rechtbank dat verweerders standpunt dat de bedreigingen door de broer ongeloofwaardig zijn niet berust op een deugdelijke motivering. De enkele omstandigheid dat de getoonde WhatsApp-screenshots onvoldoende bewijswaarde hebben, is onvoldoende om de bedreigingen door de broer ongeloofwaardig te achten. Daarvoor moet verweerder ook de verklaringen die eiseres daarover heeft afgelegd beoordelen, en dat heeft verweerder niet (kenbaar) gedaan.
Voor zover verweerder niet heeft bedoeld een geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten maar (in overeenstemming met het onder 4.1. weergegeven standpunt) slechts een risico-inschatting/zwaarwegendheidsbeoordeling omtrent de problemen met de broer, overweegt de rechtbank dat verweerders standpunt dat niet aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer naar Iran problemen heeft te duchten van haar broer niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering. Verweerder heeft hierbij namelijk niet de als geloofwaardig aan te merken bedreigingen via Whatsapp betrokken.
9.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op ernstige schade door represailles van haar broer.
Slotsom
10. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder zich onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Iran (1) een gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege haar als geloofwaardig aan te merken afvalligheid en bekering en (2) een reëel risico loopt op ernstige schade door represailles van haar broer.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
12. De rechtbank ziet geen mogelijkheid de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, nu verweerder de geconstateerde gebreken in de beroepsfase niet heeft hersteld. Ook zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is en blijft om het risico op vervolging en/of ernstige schade voor eiseres, als gevolg van haar afvalligheid en bekering alsmede de problemen met haar broer, te beoordelen. Evenmin bestaat er aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit, gelet op de aard van de gebreken en de wijze waarop deze moeten worden hersteld, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. Verweerder wordt daarom opgedragen om, met inachtneming van deze uitspraak, binnen tien weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres.
13. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 17 februari 2025;
- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.