Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de opschorting en intrekking van zijn bijstandsuitkering door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Hij verzocht om een voorlopige voorziening omdat hij door de intrekking in financiële nood zou zijn geraakt en zijn vaste lasten niet kon betalen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang vanwege de financiële situatie van verzoeker, maar dat het college terecht de bijstandsuitkering opschortte en introk wegens onvoldoende medewerking van verzoeker. Het college had op grond van meldingen en onderzoek twijfels over het hoofdverblijf van verzoeker en had hem meerdere keren uitgenodigd voor gesprekken, waarop hij niet is verschenen.
De rechter vond dat het college aannemelijk had gemaakt dat de oproepbrieven tijdig waren bezorgd en dat de termijn van circa 72 uur om te reageren niet onredelijk was. Verzoekers medische omstandigheden konden dit niet rechtvaardigen. De intrekking per 1 september 2025 was gerechtvaardigd en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Voor de terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand over een periode in het verleden was geen spoedeisend belang, omdat het college de schuld nog niet invorderde. Ook was het niet mogelijk om met schorsing van het besluit het recht op bijstand te herstellen. Het verzoek tegen het besluit van 7 oktober 2025 is ingetrokken.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M.M. Meessen op 11 november 2025 en er is geen hoger beroep mogelijk.