ECLI:NL:CRVB:2018:864
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet verschijnen en onvoldoende medewerking
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd uitgenodigd voor een heronderzoeksgesprek op 5 oktober 2015. Ondanks de oproep verscheen appellant niet, waarna het college het recht op bijstand opschortte en later introk wegens het niet verschijnen op een tweede gesprek. Appellant diende een nieuwe aanvraag in, maar leverde onvoldoende gegevens aan, waarop het college de aanvraag buiten behandeling stelde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de termijnen te kort waren vanwege een verblijf in Den Haag en dat de aanvraag onterecht buiten behandeling was gesteld. De Raad oordeelde dat appellant het college niet had geïnformeerd over zijn verblijf en dat de korte termijn redelijk was, mede gezien pinbetalingen in Rotterdam. Ook was de aanvraag onvoldoende compleet omdat essentiële bankafschriften en verklaringen ontbraken.
De Raad concludeerde dat het college terecht het recht op bijstand had opgeschort en ingetrokken en de aanvraag buiten behandeling had gesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.