Eiseres, van Palestijnse nationaliteit, diende meerdere asielaanvragen in, waarvan de laatste op 3 juni 2022. De minister verklaarde deze laatste aanvraag niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van relevante nieuwe feiten of elementen, gebaseerd op artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiseres voerde aan dat een contra-expertise van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (NFO) relevante nieuwe elementen bevatte, die het eerdere gezichtsvergelijkend onderzoek weerlegden. De rechtbank oordeelde echter dat deze contra-expertise niet voldoende aannemelijk maakt dat eiseres Palestijnse afkomst heeft, noch dat zij haar identiteit, nationaliteit en herkomst voldoende heeft onderbouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk omdat de minister inmiddels op de aanvraag had beslist. Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard. De minister werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.