ECLI:NL:RBDHA:2025:24424
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Paspoortaanvraag terecht buiten behandeling gesteld wegens niet tijdig aangetoond biologisch vaderschap
Eiser, geboren in Ghana en houder van de Ghanese nationaliteit, verzocht op 8 mei 2024 om een Nederlands paspoort op basis van erkenning door zijn Nederlandse vader. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling omdat het biologisch vaderschap niet binnen één jaar na erkenning was aangetoond, zoals vereist in artikel 4, lid 4, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
Eiser voerde aan dat deze wettelijke termijn discriminerend en onevenredig is, verwijzend naar artikel 8 en Pro 14 EVRM en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Hij stelde dat het biologisch vaderschap ook na de termijn van één jaar vaststaat en dat de termijnoverschrijding slechts een ruime maand bedroeg.
De rechtbank oordeelde dat de wettelijke regeling een legitiem doel dient, namelijk het voorkomen van schijnerkenning, en dat de termijn van twaalf maanden een redelijke en proportionele maatregel is. De omstandigheden van eiser, waaronder het regelen vanuit het buitenland, rechtvaardigen geen afwijking van deze regeling. Het beroep werd ongegrond verklaard en de paspoortaanvraag terecht buiten behandeling gesteld.
Uitkomst: De paspoortaanvraag is terecht buiten behandeling gesteld omdat het biologisch vaderschap niet binnen de wettelijke termijn is aangetoond.