ECLI:NL:RBDHA:2025:24425

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
SGR 25/3699
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van verlofaanvraag voor schoolbezoek op basis van de Leerplichtwet

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 11 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om verlof voor haar leerplichtige zoon buiten de reguliere schoolvakanties behandeld. Eiseres, die het niet eens is met de afwijzing door de directeur van de school, voert verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank oordeelt dat de directeur de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. De rechtbank legt uit dat de Leerplichtwet bepaalt dat ouders alleen vrijstelling kunnen krijgen als zij feitelijk in geen enkele reguliere schoolvakantie met hun kind op vakantie kunnen gaan. Eiseres kan niet aantonen dat dit in haar geval zo is, aangezien zij erkent dat er geen feitelijke onmogelijkheid is om in een reguliere schoolvakantie op vakantie te gaan. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is, wat betekent dat de afwijzing van de verlofaanvraag terecht is geweest. De uitspraak benadrukt het belang van de Leerplichtwet en de voorwaarden waaronder vrijstelling kan worden verleend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3699

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

mr. [eiseres], uit [woonplaats], eiseres

en
de directeur van [schoolnaam], verweerder, hierna ook: de directeur, (gemachtigde: mr. A.H.M. Agbakuru - van Bavel).

Samenvatting

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag om verlof voor haar leerplichtige zoon buiten de reguliere schoolvakanties. Eiseres is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden oordeelt de rechtbank over de afwijzing van de aanvraag.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de directeur de verlofaanvraag van eiseres op goede gronden heeft afgewezen. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden en onder 4. een samenvatting van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind van deze uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 17 februari 2025 verzocht om vrijstelling van schoolbezoek voor haar leerplichtige zoon [minderjarige], op grond van artikel 11, aanhef en onder f van de Leerplichtwet.
2.1
De directeur heeft deze aanvraag met het besluit van 12 maart 2025 (primaire besluit) afgewezen.
2.2
Met het bestreden besluit van 16 april 2025 heeft de directeur op het bezwaar van eiseres beslist en is de directeur bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De directeur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.
2.4
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, samen met haar echtgenoot (de vader), [naam 1]. Namens verweerder zijn verschenen: de gemachtigde van verweerder, [naam 2] als directeur van [schoolnaam] en [naam 3] als bestuurder van de Stichting [stichting].

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres heeft de directeur verzocht om vrijstelling van schoolbezoek voor haar leerplichtige zoon [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019. De reden voor het verzoek om verlof buiten de schoolvakantie is de specifieke aard van het beroep van de vader van [minderjarige]. De vader werkt in het middelbaar beroepsonderwijs (MBO) en heeft, naast de standaardweek meivakantie, een andere week meivakantie dan hun zoon [minderjarige]. Hierdoor kunnen zij als gezin geen twee weken aaneengesloten op vakantie in de - minder hete - meivakantie. De vader kan namelijk geen andere periodes vrij krijgen dan de schoolvakanties die gelden op de MBO-school waar hij werkzaam is. Reisdoel van de voorgenomen reis was Lissabon in de periode van 22 tot en met 29 april 2025.
Wat heeft verweerder besloten?
4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet gebleken is dat eiseres en haar gezin niet twee weken met vakantie kunnen gaan in één van de andere vakanties en omdat niet is gebleken dat het bedrijf waarvoor één van de ouders werkt onoverkomelijk economisch verlies lijdt, indien wel vakantie wordt genomen tijdens de vakantie van het kind. Na bezwaar zijn deze conclusies door verweerder gehandhaafd.
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert in beroep de volgende beroepsgronden aan.
5.1
Eiseres heeft belang bij een uitspraak op het beroep, omdat een gegrond beroep kan leiden tot vernietiging van het proces-verbaal dat door de leerplichtambtenaar is opgemaakt wegens het verzuim. Eiseres is ondanks de geweigerde toestemming namelijk in de genoemde periode in april 2025 op vakantie gegaan en kan daarvoor strafrechtelijk vervolgd worden voor het OM. Eiseres stelt ook belang te hebben bij een uitspraak, zodat het voor de toekomst en ook voor andere rechtszoekenden duidelijker is waar de grenzen van de interpretatie van artikel 11, aanhef en onder f van de Leerplichtwet liggen.
5.2
Eiseres voert aan dat zij aan mededelingen van het schoolhoofd in het hoorgesprek op 3 april 2025 het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat ze alleen een waarschuwing zou krijgen en dat niet meteen proces-verbaal zou worden opgemaakt. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het schoolhoofd bevoegd was om hierover te beslissen en dat zij vanwege dit gewekte vertrouwen in het hoorgesprek de tickets voor de vliegreis definitief geboekt heeft. Eiseres verwijst in dit kader naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter op dit gebied. [1]
5.3
Eiseres wijst verder op de parlementaire geschiedenis van artikel 11 Leerplichtwet en stelt zich op het standpunt dat hieruit volgt dat de f-grond te restrictief wordt opgevat en dat de Beleidsregel uitleg ‘specifieke aard van het beroep’ en ‘andere gewichtige omstandigheden’ bedoeld in de Leerplichtwet 1969 (Beleidsregel) evenals vaste rechtspraak hierover, in strijd is met de bedoeling van de wetgever. Nergens uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling is geweest om uit te gaan van eenmaal aansluitend verlof voor het gehele schooljaar, in plaats van per vakantieperiode. Verweerder en de Beleidsregel beperken zich daarnaast voor de beoordeling van ‘specifieke aard van de werkzaamheden’ ten onrechte tot seizoensgebonden werkzaamheden in het bedrijfsleven. Eiseres verzoekt de rechtbank in verband hiermee af te wijken van vaste jurisprudentie van de Afdeling. Eiseres vindt verder dat de beleidsregel tot onterecht onderscheid tussen ouders leidt en stelt dat de beleidsregel vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moet worden verklaard.
5.4
Eiseres beroept zich ook op de inherente afwijkingsbevoegdheid van verweerder, zoals bedoeld in artikel 4:84 Awb, en stelt dat de beleidsregel in dit geval onevenredig hard uitpakt. Verweerder heeft geen deugdelijke belangenafweging gemaakt en heeft het beleid te streng toegepast in het nadeel van eiseres. Eiseres noemt hierbij de belangen van het kind en het recht op familieleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Door die te strenge toepassing van de beleidsregels loopt eiseres nu het risico op een bestuurlijke boete en strafvervolging. Dit risico is reëel, nu de leerplichtambtenaar in het contact met eiseres bevestigd heeft dat het bij het verzuim opgemaakte proces-verbaal wordt doorgezonden naar het OM, als zij geen gelijk krijgt in deze procedure. Eiseres vindt het onevenredig dat meteen gegrepen wordt naar justitieel optreden in plaats van toezicht van uit het schoolbestuur.
5.5
Tot slot stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet gemotiveerd heeft dat de specifieke aard van het beroep van de vader van [minderjarige] hier geen uitzondering rechtvaardigt. Eiseres wenst in de meivakantie samen op vakantie te gaan en het beroep van de vader van [minderjarige] als docent bij een MBO-instelling maakt dat volgens eiseres in dit geval onmogelijk.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk en overweegt daartoe als volgt.
Procesbelang
6.1
De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of nog steeds procesbelang bestaat bij een uitspraak op het beroep. Omdat op grond van de hier bestreden besluitvorming handhavend kan worden opgetreden jegens eiseres, door bijvoorbeeld het opleggen van een bestuurlijke boete, heeft zij belang bij een oordeel over de rechtmatigheid van die besluitvorming. Het beroep is daarom ontvankelijk.
Vertrouwensbeginsel
6.2
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel niet.
6.3
In het primaire besluit is vermeld dat voor één dag ongeoorloofd verlof een waarschuwing geldt, maar dat bij meer dan één dag ongeoorloofd verzuim proces-verbaal kan worden opgemaakt. Eiseres heeft erop gewezen dat zij voorafgaand aan dit besluit met de directeur gesproken heeft over de mogelijkheden om verlof te krijgen voor de meivakantie. Eiseres heeft toen begrepen dat ouders bij een eerste overtreding een waarschuwing krijgen en dat sommige ouders zelfs een of meer boetes voor lief nemen, omdat de goedkopere vliegtickets voor hen opwegen tegen de te betalen boetes. De directeur heeft in het verweerschrift en op de zitting erkend dat zij in het hoorgesprek medegedeeld heeft dat bij een eerste overtreding van de Leerplichtwet met één dag, vaak wordt volstaan met een waarschuwing in plaats van meteen een bestuurlijke boete op te leggen, maar zij heeft verder betwist dat zij een toezegging heeft gedaan.
6.4
Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de afweging over een op te leggen sanctie naar aanleiding van overtreding van de Leerplichtwet, een bevoegdheid van de leerplichtambtenaar betreft, en niet een bevoegdheid van de directeur. Nu eiseres, als ervaren bestuursrechtjurist, net als de in het onderwijs werkende vader, op het moment van het hoorgesprek al op de hoogte van de geldende regelgeving mochten worden geacht, kan deze uitlating van de directeur, met inachtneming van de door eiseres aangehaalde jurisprudentie over het vertrouwensbeginsel, niet als een toezegging over toepassing van de sanctiebevoegdheid worden gezien. Eiseres wist of behoorde te weten dat het niet aan verweerder, maar aan de leerplichtambtenaar is om over eventueel sanctioneren te beslissen. De uitlating van de directeur in het hoorgesprek van 3 april 2025 kan dus enkel worden gezien als een uitlating van verweerder over het bestaan van de discretionaire bevoegdheid bij de leerplichtambtenaar, niet als een toezegging over de toepassing daarvan. De stelling in beroep dat eiseres gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen aan deze uitlating over de te verwachten sanctie op de overtreding, treft dan ook geen doel.
Heeft eiseres recht op verlof buiten de meivakantie?
6.5.
De essentie van de leerplicht, die is neergelegd in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet, is de verplichting van ouders of verzorgers van een leerplichtige om ervoor zorg te dragen dat hun kind als leerling van een school is ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. [2] Er zijn een aantal gronden op basis waarvan ouders of verzorgers in bijzondere gevallen worden vrijgesteld van de verplichting om hun kind een school te laten bezoeken. Om voor vrijstelling op grond van artikel 11, aanhef en onder f, van de Leerplichtwet in aanmerking te komen moet allereerst voldaan worden aan de voorwaarde dat één van de ouders of verzorgers
slechts buiten de schoolvakantiesop vakantie kan gaan. De tweede voorwaarde ziet op de oorzaak hiervan. De oorzaak moet namelijk gelegen zijn in de specifieke aard van het beroep van één van hen. De directeur komt beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of door de specifieke aard van (één van de) ouders of verzorgers in geen enkele reguliere schoolvakantie in het jaar met het gezin vakantie kan houden. Deze ruimte is nader ingevuld met de Beleidsregel.
6.6.
Eiseres voert met betrekking tot de eerste voorwaarde aan dat het - kortgezegd - niet de bedoeling van de wetgever is geweest om uit te gaan van éénmaal aansluitend verlof voor het gehele schooljaar, in plaats van per vakantieperiode. De rechtbank oordeelt daarover als volgt:
6.7.
In artikel 11, aanhef en onder f, van de Leerplichtwet, is bepaald dat de vrijstelling verleend wordt als slechts buiten de schoolvakanties met de leerplichtige op vakantie kan worden gegaan. De Memorie van Toelichting vermeldt hierover:
“Met betrekking tot de gezinsvakantie buiten de reguliere schoolvakantie wordt voorgesteld dat deze éénmaal door het hoofd kan worden verleend voor een periode van maximaal tien dagen, indien de specifieke aard van het beroep van één van de ouders/ verzorgers het niet toelaat dat zij met de (partieel) leerplichtige binnen de schoolvakantie op vakantie kunnen gaan (artikel 11, onderdeel f). (…) Naar verwachting zal deze specificatie van het vakantieverlof tot de gevallen waarin de ouders/verzorgers vanwege de specifieke aard van het beroep niet binnen de reguliere schoolvakanties op vakantie kunnen gaan meer houvast bieden voor de scholen, de gemeenten als ook de rechterlijke macht om tot een landelijk uniforme uitvoering te komen.” [3]
6.7.1.
Zowel uit artikel 11, aanhef en onder f, van de Leerplichtwet als uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling volgt dus dat ouders pas kunnen worden vrijgesteld als zij (door de werkzaamheden van één van hen) feitelijk in geen enkele reguliere schoolvakantie in het jaar met het gezin vakantie kunnen houden. Dit is ook vaste rechtspraak. [4] Eiseres erkent dat in haar geval geen sprake is van feitelijke onmogelijkheid om in één reguliere schoolvakantie in het jaar met het gezin vakantie kunnen houden. Hiermee voldoet zij niet aan de eerste voorwaarde voor vrijstelling en reeds daarom heeft verweerder het verzoek terecht afgewezen.
6.8
Voor zover eiseres bedoeld heeft aan te voeren dat het bestreden besluit strijdig is met het evenredigheidsbeginsel omdat het gevraagd verlof slechts 4 dagen betreft, haar zoon vijf jaar oud is, bijna nooit ziek is en bijna nooit school mist, volgt de rechtbank evenmin. Artikel 11 van de Leerplichtwet is een wet in formele zin, die dwingend voorschrijft dat vrijstelling alleen mogelijk is als slechts buiten de schoolvakanties met de leerplichtige op vakantie kan worden gegaan. De directeur komt weliswaar beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of ouders of verzorgers door de specifieke aard van het beroep van de ouders en verzorgers, maar deze beoordelingsruimte geldt niet voor de beantwoording van de vraag of het gezin in geen enkele reguliere schoolvakantie, vakantie kan houden. Het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet staat aan toetsing van die wettelijke bepaling aan het evenredigheidsbeginsel in de weg. Dit is alleen anders in het geval van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd of bijzondere omstandigheden die meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
6.8.1.
Niet valt in te zien dat het door eiseres gestelde aan te merken is als bijzondere omstandigheden. Eiseres heeft verder niet onderbouwd waarom sprake zou zijn van schending van artikel 8 EVRM, zodat ook deze beroepsgrond niet slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag voor verlof op goede gronden heeft afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling of terugbetaling dan wel vergoeding van het griffierecht bestaat in deze zaak geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak is met een stempel hierboven vermeld.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
[*]
Bijzondere wet
[*]
Beleidsregel
[*]

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.
2.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5059 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/).
3.Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 900, nr. 3, p. 7.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2007 en 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:418.