Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 11 september 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister verklaarde deze aanvraag op 8 oktober 2025 niet-ontvankelijk omdat eiser reeds internationale bescherming geniet in Duitsland, waar hij sinds 2017 een verblijfsvergunning heeft.
Eiser voerde aan dat zijn medische situatie en ervaringen met geweld in Duitsland onvoldoende zijn meegewogen, en dat hij in Duitsland geen adequate medische behandeling heeft ontvangen. De rechtbank oordeelt echter dat de minister terecht mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser geen concrete aanwijzingen heeft geleverd dat hij in Duitsland niet adequaat beschermd wordt of dat terugkeer tot onmenselijke omstandigheden leidt.
De rechtbank stelt dat het enkele feit dat eiser de voorkeur geeft aan medische behandeling in Nederland niet afdoet aan zijn verblijfsrecht in Duitsland. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat Nederland het aangewezen land is voor zijn behandeling. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom geen bijzondere omstandigheden zijn die de niet-ontvankelijk verklaring onredelijk maken.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en handhaaft de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.