ECLI:NL:RBDHA:2025:24588
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid bij familieleven
Eiseres, een Marokkaanse grootmoeder, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf bij haar kleinzoon (referent) in Nederland. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af omdat er geen sprake zou zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent, wat vereist is voor het erkennen van familieleven onder artikel 8 EVRM Pro.
In het beroep stelde eiseres dat zij vanwege haar leeftijd en medische klachten volledig afhankelijk is van zorg van haar familie, die zij in Marokko niet kan krijgen, en dat er sterke persoonlijke en familiale banden met Nederland zijn. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat niet is aangetoond dat er sprake is van een bijzondere afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgt.
De rechtbank motiveerde dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken, waaronder de beperkte samenwoning in het verleden, de medische situatie die niet zodanig ernstig is dat dagelijkse zorg door referent noodzakelijk is, de financiële onafhankelijkheid van eiseres, en haar sterke banden met Marokko. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft het bestreden besluit in stand.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf blijft in stand.